Full text
Beroering door Verbeelding Bijdragen over Literatuur, Verbeelding en Vrijheid voor Jan de Roder
Beroering door Verbeelding Bijdragen over Literatuur, Verbeelding, Vrijheid voor Jan de Roder Samengesteld door: Josje Weusten
Beroering door Verbeelding—Bijdragen over Literatuur, Verbeelding en Vrijheid voor Jan de Roder © 2025 De auteurs. Gepubliceerd in november 2025 door: Maastricht University Press | Maastricht Versie: 2025-01 ISBN: 9789403769608 DOI: 10.26481/mup.2502 Dit boek is Open Access gepubliceerd op https://10.26481/mup.2502 onder de voorwaarden van de Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Licentie (CC BY 4.0). Download of lees online: https://10.26481/mup.2502 Ontwerp omslag: Josje Weusten
Dankwoord Allereerst wil ik de auteurs bedanken die uit vriendschap en warme collegialiteit een bijdrage hebben geleverd aan dit boek voor Jan de Roder. Mijn dank gaat ook uit naar Aagje Swinnen. Zij heeft dit initiatief van meet af aan gesteund en aangemoedigd. Bovendien heeft zij in het beginstadium meegedacht over de opzet en de vorm van dit boek. Daarnaast ben ik Rein de Wilde erkentelijk voor het nauwgezet nalezen van het voorwoord. Tevens dank aan de capgroep Letteren en Kunst van de Faculteit der Cultuuren Maatschappijwetenschappen van de Universiteit Maastricht voor de financiële ondersteuning van deze bundel. Ten slotte kunnen Michel Saive en Ron Aardening van Maastricht University Press hier niet ongenoemd blijven. Zij dachten mee over de vormgeving van dit project en boden uiterst professionele ondersteuning. Dankzij hen is dit boek niet alleen prachtig gedrukt uitgegeven, maar ook als open access uitgave online beschikbaar. Josje Weusten
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 5 of situaties te schrijven die ze zelf niet kennen. Volgens Smith is deze aarzeling begrijpelijk; stereotypen liggen immers op de loer. Bovendien is het noodzakelijk dat gemarginaliseerde groepen de ruimte claimen en krijgen om hun eigen verhalen te vertellen. Maar we mogen niet vergeten dat literaire verbeelding in essentie niet om feitelijke juistheid draait. Het gaat, zo meent Smith, om geloofwaardigheid, om het vermogen om ons boven onszelf uit te tillen en verbinding te creëren ondanks verschillen. Volgens Smith—en ik weet zeker dat Jan het met haar eens is— mogen er dus geen principiële bezwaren zijn tegen het schrijven over anderen. Als we de verbeelding aan banden gaan leggen, zou literatuur wel eens het lot kunnen treffen dat Karin Bijsterveld en Rein de Wilde in hun literair-historisch essay schetsen aan de hand van het werk van onderwijzer en schrijver Trinus Riemersma. Ook in de academische wereld heerst onbehagen. Vooral in de VS, waar universiteiten onder druk worden gezet om bepaalde thema’s te vermijden op straffe van verlies van financiering. Jan hecht grote waarde aan de academische vrijheid en sprak zich in zijn Observant-columns uit tegen diens inperking. Of die inperking van links of rechts kwam, deed er voor hem daarbij niet toe. De academische vrijheid vormt logischerwijs een centraal thema in deze bundel. Zo gaat Georgi Verbeeck in op de huidige situatie aan de Amerikaanse universiteiten en benadrukt het belang van “redelijke twijfel en verwondering” in wetenschap en onderwijs. Enkele auteurs in dit boek namen zelfs de vrijheid om te experimenteren met (voor hen nieuwe) genres. Sjaak Koenis schreef een persoonlijk-filosofisch essay over vrijheid, geïnspireerd door Timothy Snyder en Isaiah Berlin, en zijn eigen
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 6 jeugd in een katholiek gezin. Wiebe Nauta waagde zich aan poëzie met een politieke boodschap. En Jo Ritzen verbond het essay en het korte verhaal met elkaar in een ironische reflectie op de Nederlandse democratie en de verhouding tussen Gen Z en de babyboomgeneratie. Nijmegen versus Maastricht? Wie Jan goed kent, weet dat hij, ondanks zijn intellectuele nieuwsgierigheid, in het dagelijks leven honkvast is. Hij verruilde Nijmegen nooit voor Maastricht, verbleef in Maastricht altijd in hetzelfde hotel (“want daar kennen ze me”), en hield vast aan vertrouwde ritmes. Maar hoe gehecht hij ook is aan zijn thuisstad—en vooral aan zijn geliefde Simone, Sjors, Evelijn en Reinier—Maastricht is onder zijn huid gekropen. Jan keek zodoende niet bepaald uit naar zijn pensioen. Wiel Kusters schreef een gedicht voor hem dat als een aanmoediging tot acceptatie geïnterpreteerd kan worden. Jan zou echter Jan niet zijn als hij geen manier had gevonden om toch iets langer met een been in Maastricht te blijven staan: als scriptiebegeleider blijft hij beschikbaar voor UCM-studenten. Jans liefde voor Maastricht komt in dit boek tot uiting in het beeldessay van Frank Huisman en de fotoreportage van Vivian van Saaze. Frank schrijft over de Maas als onderdeel van het Maas Labproject. Vivian brengt de reis tussen Nijmegen en Maastricht in beeld—een traject dat Jan talloze keren aflegde. De laatste bijdrage is van fotograaf en collega Eric Bleize. Hij portretteerde Jan (enigszins tegen Jans wil en pas na veel aandringen van mij) in Maastricht, in ‘zijn’ universiteit. Hij toont Jan zoals wij hem kennen: erudiet, bevlogen en gepassioneerd, vol humor en warmte.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 7 Dank je wel, Jan, namens alle bijdragers aan dit boek, voor je belezenheid, originaliteit, betrokkenheid, passie, collegialiteit en vriendschap, maar bovenal voor de beroering door verbeelding die je teweeg hebt gebracht.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 8 Bibliografie Crane, S. (2004[1895]). In the desert. https://www.poetryfoundation.org/poems/46457/in-thedesert-56d2265793693 Feriks, C. (2013). Lesgeven had een roeping kunnen zijn, zo leuk vind ik het: Wynand Wijnen Onderwijsprijs 2013 voor Jan de Roder. Observant Online. https://www.observantonline.nl/Home/Artikelen/id/4420 2 Frits Hopman. (1907). Pastorale. Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, 17, 406–410. KANTL. (2001). Laureaten: Jan de Roder. https://kantl.be/werking/prijzen/laureaten/jan-de-roder Roder, J. de. (1999). Het schandaal van de poëzie: Over taal, ritueel en biologie. Uitgeverij Vantilt/De Wintertuin. Roder, J. de. (2001a). Het onbehagen in de literatuur: Essays. Uitgeverij Vantilt. Roder, J. de. (2001b). Hoofdstukken over S. Vestdijk [Unpublished manuscript]. Katholieke Universiteit Nijmegen. Roder, J. de. (2014). Shakespeare on screen [Coursebook]. Maastricht University. Roder, J. de. (2024a). Acts of literature: The role of prose, poetry and plays in a changing world [Coursebook]. Maastricht University. Roder, J. de. (2024b). Poetry, poetry theory, and poetry practices [Coursebook]. Maastricht University.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 9 Roder, J. de. (2025a). Biopoetics: An evolutionary approach to art, literature, music and religion [Coursebook]. Maastricht University. Roder, J. de. (2025b). The future of literature? [Coursebook]. Maastricht University. Smith, Z. (2019). Fascinated to presume: In defense of fiction. The New York Review of Books. https://www.nybooks.com/articles/2019/10/24/zadiesmith-in-defense-of-fiction/ Vestdijk, S. (1965[1952]). Essays in duodecimo. J.M. Meulenhoff.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 10
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 11 Speaking of Literature: Masculine Vulnerability in Poetry Joshua Sigle I took the following courses organised by Jan de Roder: ‘Poetry, Poetry Practice, Poetry Theory’, ‘Biopoetics’, ánd ‘Acts of Literature’, during which I wrote this essay. Introduction And without having intended to do so at all, I found myself writing a covering letter in which I unreservedly laid bare my heart as never before and never since to a second human being (Rilke, 1934, p.12). Literature intervenes in society and plays a formative role in our beliefs, values, and imagination. Literature can help us overcome constraining conventions and norms by exploring the expressive and metaphorical realms of language. In 1902, at the age of nineteen, aspiring poet Franz Xaver Kappus wrote his first letter to Austrian poet Rainer Maria Rilke. The correspondence between the two would last five years and influence Kappus’ view on poetry, and what it means to be a man and artist. After Rilke’s death, Kappus published Rilke’s letters in Letters to a Young Poet, consisting of Rilke’s ten responses only. The book offers insight in Rilke’s perspective on poetry, and his view on the vital role that struggle and loneliness play in creating art. The dialogue between the two men indirectly reveals the worries and struggles of the young Kappus as he is trying to navigate the
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 12 world. The omission of Kappus’ own letters speaks volumes about the masculine fear to expose his vulnerability. Wounded Words Poems elevate words out of their ordinary use, allowing both reader and writer to enter a realm without the values and social rules these words usually embody (Attridge, 2011, p.696). Letters to a Young Poet provides guidance to an artist (Kappus specifically) struggling to become an adult (man). It offers the advice to engage with feelings of loneliness on one’s own; “We are solitary. We may delude ourselves and act as though this were not so. That is all” (p.66). Kappus recognized himself in Rilke’s poems. Upon reading them, he realised that Rilke must have found refuge in poetry in the face of his fears and emotions. Kappus too wondered if words could save him from his solitude—if he could translate and transform his worries into art, preventing them from consuming him. Rilke shares this belief. Masculinity is...an examination of the ways in which gender affects our capacity to engage ethically and meaningfully with each other in complex human societies, in intimate relationships, and with our biosphere (Cooper, 2021, p.4, emphasis added by me, JS). In Western or Westernized societies, hegemonic masculinity often adheres to ideals of assertiveness, courageousness, and invulnerability. Men refuse “to acknowledge weakness or to be overcome by adverse events,...discouraging other behaviours such as the expression of emotions or the need to seek the help of others” (McVittie, Hepworth & Goodall 2017, p.122).
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 13 Oftentimes, men lack the ability to phrase and speak their emotions. They are raised in a culture that expects men to conceal their feelings, be unfazed by them, and stoically repress them. Refusing to acknowledge weaknesses and sharing one’s emotions cannot be seen as separate from the mental health disparities between men and women (McVittie, Hepworth & Goodall 2017; Mull 2019; Public Broadcasting Service, 2019). The correspondence between Rilke and Kappus reveals many characteristics of hegemonic masculinity. Rilke believed it necessary to face and endure the hardships of life in solitude, considering them the nurturing fuel for his art. Rilke’s guidance led Kappus into the same depths of loneliness. Rilke’s empathetic advice comes from a place of experience, of knowing about loneliness and how it channels his writing— “therefore, dear sir, love your solitude and bear with sweetsounding lamentation the suffering it causes you” (p.39). The two men found themselves in the same predicament: hurt and overwhelmed by the conventions of gender, venting their feelings only in their creative process. A Poet’s Death The poems were reading my mind and reflecting it back as someone else’s poetry. Was I that someone else? (Javadizadeh, 2021, para. 26). Being a poet is to understand and interact with the world in a way that reveals both its beauty and horror. In Rilke’s poem Der Tod des Dichters, the poet (he/him—adhering to hegemonic masculinity) experiences the pain others may feel and hide. The poet becomes the world around him; he is overwhelmed by it
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 14 and cannot conquer it. The poet is the person who sees and feels its predicament. He hides in his bed, succumbs to the shrieking noise and aloofness of the world, and falls into a dying state. Der Tod des Dichters Er lag. Sein aufgestelltes Antlitz war bleich und verweigernd in den steilen Kissen, seitdem die Welt und dieses von ihr Wissen, von seinen Sinnen abgerissen, zurückfiel an das teilnahmslose Jahr. Die, so ihn leben sahen, wußten nicht, wie sehr er eines war mit allem diesen, denn dieses: diese Tiefen, diese Wiesen und diese Wasser waren sein Gesicht. O sein Gesicht war diese ganze Weite, die jetzt noch zu ihm will und um ihn wirbt; und seine Maske, die nun bang verstirbt, ist zart und offen wie die Innenseite von einer Frucht, die an der Luft verdirbt. (Rainer Maria Rilke, 1907). Through death, the poet loses the mask that conceals his face from others, and becomes vulnerable, fragile like a fruit that is consumed even by the nurturing air. The poet’s body is lifeless, colourless, detached from the senses. He suffers from the way he perceives the world and realises that life could offer so much more expression. He knows so much of the world and his inner life, but something keeps him from revealing it. He, who thinks to be unaffected, cannot share all that he feels, all that he sees.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 21 Appendix (English translations of the poems): Death of the Poet (Der Tod des Dichters—Rainer Maria Rilke, Walter Arndt Trans.) He lies there, the upslanted face appears Pale and denying in the pillow's skew, Now that the outer world, and that he knew Of it, torn off from sense and view, Has fallen back to the indifferent years. Those knowing him alive were unaware He was so of a piece with all of this: For these, the sunken lands, the meadows there These waters, up to then had been his face. His face-oh yes-was all that far-and-wide Which still is seeking out and wooing him, While this, his mask, now growing sadly dim, Lies tender and exposed like the inside Of an aired fruit decaying at the rim. Source: Arndt, W. (1989). The best of Rilke: seventy-two form-true verse translations. University Press of New England.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 22
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 23 Mini Essay For Jan de Roder Lisa Peeters In the desert I saw a creature, naked, bestial, Who, squatting upon the ground, Held his heart in his hands, And ate of it. I said, “Is it good, friend?” “It is bitter—bitter,” he answered; “But I like it “Because it is bitter, “And because it is my heart.” Stephen Crane (1895), ‘In the desert’ In his poem ‘In the desert’, poet Stephen Crane confronts us with an unusual scenario: a creature, the specifics on its looks left to the reader’s imagination, sits in the desert, eating his own heart. Although a gruesome picture, upon first reading it, the poem did not immediately capture me, and I went on with my day-to-day business. Still, after a while, the first and last couple of lines kept crossing my mind at any given moment, which was not otherwise occupied. After a quick google search, I found the poem and I have read it at least once every week since then. It is very dear to me, and I will try to convey the feeling it gives me.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 24 The meaning of this poem might seem quite straightforward at first: it depicts the evil nature of humankind feasting on the parts of it that are good (“his heart”). However, when we read this poem repeatedly, new and different meanings emerge. It’s like peeling back the layers of an onion, with each layer bringing a new set of tears to the eyes. The “squatting” of the creature puts emphasis on its bestial nature, mentioned in the line above. The poem provides a very brief description of the creature; “naked, bestial”. This conjures up the image of a humanoid creature, not clothed, holding the remains of a heart in his hands, blood streaming between its fingers and a gaping hole left in its chest. The poem features a dialogue between the lyrical subject and the creature, but if the creature is really that bestial, it does not speak as a bestial creature. What if the lyrical subject and the creature are one? The use of the word “friend” as the form of address adds to this theory. It implies familiarity, recognition. The meaning of this poem, the layer, I am at as of right now, is that this is an inner dialogue between two different sides of the lyrical subject. The subject acknowledges their bitter side, their bestial, savage parts (“the bitterness”) and recognises how those parts co-exist with their pure parts (“his heart”). They pledge to themselves to accept both to prevent the bitterness from eating away the good inside them. If there’s less resistance, there will be less of a fight back. This conclusion comes to the subject in the second stanza: the liking of the bitterness and the acknowledgement of the connection between the bitterness and the heart ignite a spark of acceptance within the subject.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 25 What is special about this poem is that it is written in free verse and thus has no rhythm nor structural rules it obliges to. The free verse adds to the uneasy nature of the poem, as readers do not know what to expect in the next line. There is a lot more to say about the way it is composed. The repetition of the word ‘bitter’ emphasises the evil, self-destructive nature of humankind. The specific repetition of “bitter-bitter”, when read aloud, mimics a heartbeat, connecting the bitterness to the heart in more ways than visible at first. The alliteration in line four (“Held His Heart…His Hands”) makes one read the line a little faster when read aloud. This adds to the craziness of the situation, making it more chaotic, while at the same time adding a sense of symmetry on paper with the parallelism of “his(A) heart(B) his(A) hands(B)”. We can also find a sense of repetition in the “is it” in line six and the “it is” in line seven, nine and ten. If we leave out the rest of the poem that gives us “Is it? It is, it is, it is.”, which to me symbolises the creature wondering about its words, asking itself if it is indeed good, and the felt need to repeat to himself that it is in fact good. The poem is chaotic, gruesome, and confronting. Its literary devices support the meaning it conveys. It is a poem that bites into you, like the creature into its heart, and then refuses to let go. It offers recognition and comfort; it acknowledges and accepts the bitterness that comes with the pureness and vulnerability of humanity. It allows to find whatever layer of meaning you need to see at the time of reading and therefore, it grows alongside you. It’s the poem that made me fall head over heels with poetry, and the creature inside of it.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 26 Bibliography Crane, S. (2004[1895]). In the desert. https://www.poetryfoundation.org/poems/46457/in-thedesert-56d2265793693
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 27 Jan de Roder herlezen Klein essay voor een groot docent Renée van de Vall Mijn eerste kennismaking met Jan vond plaats op papier. Het moet ergens aan het begin van de 21e eeuw zijn geweest, ik zat (en zit nog altijd) in een poëzie-leesclubje en de titel van zijn essay Het schandaal van de poëzie (1999) ging rond. Ik las het en was diep onder de indruk. Dat ben ik nog steeds. De niet lang na dit essay verschenen bundel Het onbehagen in de literatuur (2001), waar een verkorte versie van Het schandaal van de poëzie is opgenomen, begint met een korte bespiegeling over het herlezen van literatuur. Jan haalt literatuurcriticus Michael Zeeman aan, die beweerde nooit een boek te herlezen, om zich vervolgens af te vragen of dat misschien de reden is waarom Zeemans krantenartikelen hem maar niet willen raken. Is herlezen niet juist een ingang om jezelf als lezer te leren kennen en te ontdekken van welke personages jouw leven het verhaal is? Ik ben een vlijtig herlezer, vooral van dikke romans, en ik deel met Jan de ervaring dat je iedere keer weer een ander boek leest en dat je mening over het gelezene dus ook iedere keer weer kan verschillen. Jans essay heb ik gek genoeg nooit herlezen, niet omdat ik het niet die moeite waard vond, maar omdat ik het er zo hartgrondig mee eens was. Het werd deel van mijn eigen knutselwerkje van theorieën en inzichten dat ik maar even als ‘de betekenis van de vorm’ zal samenvatten. De kern ervan wordt gevormd door de esthetica van Susanne Langer, waarin
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 28 het bijzondere van kunst erin ligt dat juist de schijnbaar betekenisloze dimensie van het kunstwerk, de dynamische patronen van zijn formele eigenschappen, het meest betekenisvol is, als articulatie van patronen van gevoeld leven. Ritme is een kernbegrip in die esthetica, net als in Jans reflecties over de oorsprong van de taal in de betekenisloze, geritmiseerde klanken en gebaren van het ritueel en over poëzie als “die vorm van taalgebruik waarin taal zich opnieuw van haar rituele oorsprong bewust wordt” (1999, p. 27; cursief in het origineel). De oplettende lezer zal hier onraad ruiken. Ik bij herlezing van zijn essay ook. Hebben die ritmische patronen nu wel of geen betekenis? Jan beroept zich op Frits Staal, die benadrukt dat rituelen volstrekt geen zin, doel of doelstelling hebben en helemaal niets betekenen of symboliseren. Had ik me in mijn enthousiasme vergist en Jan ten onrechte als een medestander ingelijfd? In de tussentijd werd Jan mijn collega in de capgroep Letteren en Kunst. Ik leerde een warm, betrokken, inspirerend mens kennen, altijd enorm begaan met zijn collega's en aanstekelijk in zijn literaire passies. Het idee alleen al dat ik het in iets met Jan oneens zou kunnen zijn—dat kwam echt niet in me op. Daar kwam bij dat hoewel we lid waren van dezelfde capgroep, Jan van de Letteren was en ik van de Kunst. Onze onderzoekswegen kruisten elkaar daarom niet zo vaak. Allerlei andere wegen dan weer wel. We huisden op dezelfde gang (Jan boven, ik beneden), spraken elkaar dus best veel en ik had zelfs het genoegen om in 2014 voor één keer een van Jans UCM blokken van hem over te nemen: Shakespeare on Screen. Dat was een feest: de toneelstukken, de films, de rijkdom aan beschouwingen over verschillende interpretaties en adaptaties van Hamlet, King Lear, Macbeth. Maar toch voelde ik een zeker gemis. Ik kon er niet
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 29 omheen dat het kloppend hart van het blok ontbrak: de bevlogenheid, de belezenheid, de esprit van de auteur ervan, wiens enthousiasme en hart voor zijn studenten zo doorklonk in het blokboek. Nu moet gezegd worden: dat blokboek was summier. Wat ik kon terugvinden waren een paar pdf’jes, zonder de gebruikelijke inleidende verhaaltjes waar het probleem in verpakt zou moeten zitten, eigenlijk niet veel meer dan een heel lange en keurig op theoretische benadering geordende literatuurlijst voorzien van een setje aanwijzingen. Maar wat voor aanwijzingen! Welk blokboek zegt nou tegen je als je die of die tekst hebt gelezen: “Then sit and relax and watch the documentary ...” of “By now you must have an idea ...”; “We skip paragraph X and we read paragraph Y, which is just the kind of paragraph we need in view of ...”? In welk blokboek wordt de literatuurlijst opgevrolijkt met versjes uit Punch? 1 Hier was geen procesbewakende tutor aan het woord, maar een onderwijzer die zijn ervaringen met zijn studenten wilde delen en hoopte dat ze net zo gaan genieten als hij van Shakespeares tragedies en de verfilmingen daarvan en alles daaromheen. Ik heb er in elk geval van genoten, maar dacht ook: wat had ik graag 1 I dreamt last night that Shakespeare’s Ghost Sat for a civil service post. The English paper for that year Had several questions on King Lear Which Shakespeare answered very badly Because he hadn't read his Bradley. (Anonymous, Punch, 1926)
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 30 zelf dit blok als student gevolgd, maar dan wel met Jan als docent. Heeft het een (de vraag of ritmische patronen al dan niet betekenis hebben) iets te maken met het ander (Jans onvervangbaarheid als docent)? Misschien wel. In de jaren tussen mijn eerste papieren kennismaking met Jans poëzietheorie en mijn herlezing daarvan kwam ik in aanraking met theorieën over spel (Huizinga, Caillois) en met Goodmans onderscheid tussen autografische en allografische, one-stage en two-stage kunsten. Allografische kunsten zijn kunsten waarvoor een eenduidig notatiesysteem bestaat, zoals een alfabet of notenschrift; autografische kunsten (zoals schilderkunst) hebben dat niet. Sommige allografische kunsten zijn one-stage (literatuur), andere two-stage (die vormen van theater en muziek die de uitvoering zijn een tekst of partituur). Zoals ook uit Jans bespreking van Staals rituelentheorie blijkt, kunnen de soms uitermate complexe structuren van rituelen, net als ritmes in de muziek of poëzie, prima genoteerd worden. Maar, weten we ook, niet alle aspecten van muziek of theater lenen zich voor notatie. Timbre, klank, expressie, dat is wat de speler of musicus zelf zal moeten invullen. Dat maakt dat in wat voor Goodman in hun geheel allografische kunsten zijn, altijd nog een autografisch element zit: de unieke, onherhaalbare kwaliteiten die de individuele uitvoerder legt in het spel. En ook met ritmes kan je spelen. Jan schrijft: De ritmische laag is dat aspect van de poëzie dat evenals syntaxis betekenisloos is, terwijl beide zijn terug te voeren op dezelfde structurele regels van het ritueel. Misschien maakt ritme zelfs de betekenisloosheid van
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 37 Interestingly, most of them don’t have anything in common with the ideas or narrative I was working on. In the image below, for example, it looks like I was exploring different ways to describe engine sounds, but the drawings are unrelated. Figure 1. Doodles made while brainstorming about descriptions for engine sounds (Weusten, n.d.). This doesn’t apply to all my doodles, which can be illustrated with the sketchy apartment floorplan below. The story I was working on when I drew this, was set in this same fictional
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 38 apartment. Figure 2. Sketch of an apartment from one of my stories (Weusten, n.d.). Looking into the academic literature on the relationship between creative writing and drawing to make further sense of my doodling, it appears the topic has only recently been addressed. This negligence can be attributed to the longdominant disciplinary approach in literary studies and a lopsided focus on text rather than image. As a result, drawings (particularly when not published with the story) have been considered mere by-products of the creative writing process and dismissed as uninteresting for academic study and reflection (cf. Wright, 2015). Furthermore, doodling is in general associated
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 39 with idleness and nonsense. After all, “the word ‘doodle’ derives from the German for ‘fool’ (Dudeldopp) and the English verb ‘to dawdle’ (…). Hearing the word ‘doodler’ we think of someone whose mind wanders away from a serious (and usually written) task” (Wright, 2015, p. 68). As literary scholars Jeremiah Mercurio and Daniel Gabelman, however, argue in their groundbreaking study The Form and Theory of Literary Doodling (2025), we shouldn’t write of doodling as uninteresting. From an academic desire to better understand literary texts, the study of doodles by writers is of added value as “doodles, despite their apparent triviality, provide valuable insights into the creative processes, authorial habits, and finished works of literary doodlers” (Mercurio & Gabelman, 2015, cover). Case studies also point in the direction that drawing should be considered integral to the creation process of writers. Most notable are the studies of the sketches by Joseph Conrad (Warodell, 2014; 2016; 2017; 2022) and by Oscar Wilde (Wright, 2015; 2022). Conrad and Wilde were meritorious draftsmen, with Wilde even having received artistic training. Both authors also doodled a lot while writing. Interestingly, the artistic accomplishment and composition didn’t matter to either of them when doing so, as many of their sketches appear to have been executed rashly. Wilde, for example, often drew quick portraits of (imagined) persons in which facial features were frequently out of proportion—leaning almost towards caricature.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 40 Figure 3. Doodles from Wilde’s Poems Notebook (1881, p. 103). Impacted by his career in the marine, Conrad’s early manuscripts contain many hand-drawn maps of fictional worlds and top views of rooms. Contrary to the detailed maps in some of his final manuscripts, these are usually incomplete, abbreviated, and sketchy. Figure 4. Top view of a room by Joseph Conrad (Warodell, 2016, p. 38).
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 41 The unfinished nature of Wilde’s and Conrad’s drawings encourages us to consider them in relation to the writing process during which they were made. Making a first attempt at this, Johan Warodell (2016) and Thomas Wright (2015) convincingly show that part of the drawings and doodles in Conrad’s and Wilde’s manuscripts must have served as visual explorations of the fictional worlds and characters the authors would later create in words. By extension, Warodell claims these visual exercises mirror and perhaps even flow over into Conrad’s sensory writing style. Indeed, just by reading the first sentences of Conrad’s most well-known novel Heart of Darkness, first published in 1902, it becomes clear how starkly visual Conrad’s style is: The Nellie, a cruising yawl, swung to her anchor without a flutter of the sails, and was at rest. The flood had made, the wind was nearly calm, and being bound down the river, the only thing for it was to come to and wait for the turn of the tide. The sea-reach of the Thames stretched before us like the beginning of an interminable waterway. In the offing the sea and the sky were welded together without a joint, and in the luminous space the tanned sails of the barges drifting up with the tide seemed to stand still in red clusters of canvas sharply peaked, with gleams of varnished sprits. A haze rested on the low shores that ran out to sea in vanishing flatness. The air was dark above Gravesend, and farther back still seemed condensed into a mournful gloom, brooding motionless over the biggest, and the greatest, town on earth (Conrad, 1996, p. 12).
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 42 The strong perceptual sense of these lines makes it almost effortless for readers to imagine the fictional world of A Heart of Darkness. This holds up even more than a century later and is probably a reason why the novel is still read today. In addition, drawing possibly allowed Conrad and Wilde to let their minds wander without interrupting the writing process, as their pens kept moving across the paper. In her insightful review of Conrad’s Decentered Fiction (Warodell, 2022), Kim Salmons (2023) discusses how Warodell’s analysis demonstrates that Conrad’s doodles reflect the theme of distraction central in many of his written works: [C]haracters are revealed as chewing their moustaches (Nostromo [1904]), “toying with a teaspoon” (94) (Chance [1913]), and “endlessly scraping [a] nail with a penknife” (Under Western Eyes [1911]), demonstrating that throughout Conrad’s texts there are “so many moments of distraction” (104) [….] Conrad equally distracted himself while telling stories, with activities— doodling in the margins, sketching maps, playing chess with his son John—that focused his mind on the writing process (Salmons, 2023, pp. 383-384). As such, Conrad’s doodling should be interpreted as a way to gain focus and an extension or precursor of the themes of waiting and distraction in Conrad’s stories. Something similar can be claimed about Wilde’s work. Drawing and painting play a significant role in The Picture of Dorian Gray (2008[1892]), as this (unfortunately) only novel by Wilde revolves around the fictional portrait of Dorian Gray by painter Basil Hallward.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 43 We can thus safely conclude that drawing wasn’t just a byproduct but a vital element of Wilde’s and Conrad’s writing processes, which 1) helped them to explore and test fictional worlds and characters, 2) fed into rich descriptions and their style, 3) allowed their minds to wander—which is essential for imagination and focus—while staying immersed in writing, and 4) related to the topics and themes they tackled. Why it Works: Drawing as a Developmental Precursor Interestingly, educational studies of creative writing show these effects aren’t limited to Wilde and Conrad. Various experiments shed light on how pupils in primary and secondary education write considerably better stories when using drawing in the early stages of writing. Drawing, amongst other things, helps them to 1) amass ideas, 2) envisage and organise the plot of the story, and 3) add detail and narrative drama to their texts (cf. Caldwell & Moore, 1991; Collins & Reid, 2023; Dunn et al., 2020). An explanation for this positive impact on creative writing can be found in the observation that drawing is a developmental predecessor of writing, as children generally draw before they write. Drawing is, furthermore, experienced as less bound to fixed rules than writing (cf. Caldwell & Moore, 1991). As a result, novice creative writers may feel freer when using drawings to coin ideas for a story, as they don’t have to worry about correct spelling and grammar. The perceived lack of strict rules for drawing as an earlier developmental stage also makes drawing cognitively less demanding, which frees up mind space to focus on the story’s organisation and the generation of ideas (cf. Caldwell & Moore, 1991; Dunn et al., 2020).
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 44 Another explanation for the added benefits of drawing for writers can be found in the widely held theoretical notion that creative writing is a process which is visionary at its core […] In fact, creativity research stresses the role of nonverbal processes such as imagery in generating ideas during writing (Khatena, 1979; Torrence, 1979; Wallas, 1926). According to Torrence (1979), for example, the use of sensory modes of thought is a prerequisite for the creative process (Caldwell & Moore, 1991). If creative writing begins as visual thinking, the translation of initial ideas in images might come more naturally than when translating these ideas into words. It would then make sense for all writers (not just novice ones) and creative writing teachers to consider incorporating drawing in the early stages of their storymaking practice, and for literary scholars to study drawings and doodles by writers as significant for understanding creative writing processes. A Ritual Way into Material Aspects of Language Although the research mentioned does a fine job of exploring the possible role drawing plays in creative writing, these studies focus on the communicative function of texts rather than more material, performative, or if you will, embodied elements of artistic language, such as sound and rhyme, repetition and rhythm. Based on my experiences as a doodling fiction writer and the essays on poetry by literary scholar Jan de Roder (2001; 2002), I contend these are unjustly overlooked.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 45 To explain this, let me first touch on what I mean when I say that creative writing, or perhaps put better, literary language is material. When we use the term creative writing, we generally refer to literary fiction and poetry. Both genres draw on language not only to communicate meaning but also for its embodied uses. Sound, rhyme, repetition, and rhythm are material, performative aspects of literature—and definitely poetry—that take us beyond meaning-making. From an evolutionary perspective, these performative aspects of literary language tie in with rituals and non-communicative uses of sounds, which are thought to have preceded the development of language (cf. Haverkort & de Roder, 2003). Jan de Roder (2001; 2002) even argues that poetry, being originally a purely oral genre, has been an evolutionary stepping stone in language development. He contends poetry has served as an oral bridge between ritualistic practices and non-communicative uses of sounds on the one hand and the occurrence of natural languages on the other hand. Like poetry precedes the development of natural languages, drawing has been taken as preceding the emergence of written natural languages. Archaeologist Genevieve von Petzinger (2015; 2017) for instance points out that oldest found prehistoric cave drawings weren’t only figurative, but also included more geometric images—such as dots, circles, triangles, and (negative) handprints. Von Petzinger has identified thirty-two geometric images, which had been widely and consistently used across various continents, for tens of thousands of years. Although not forming a written language system yet, these images seem to have carried symbolic meaning and as such have played a role in the development of written
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 46 language. Interestingly, like poetry, some of these geometric drawings by humans have a repetitive quality. Figure 5. Geometric Signs from Niaux Cave in France (Bradshaw Foundation). Figure 6. Geometric Signs from Niaux Cave in France (Bradshaw Foundation).
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 53 Frits Hopmans ‘Pastorale’: een Nederlandse literaire fietsklassieker Voor Jan de Roder. En ter herinnering aan Gerlach van Wersch (1954-2020). Manuel Stoffers Het beste klassieke Nederlandse literaire werk over fietsen is zonder twijfel ‘Pastorale’ van Frits Hopman (1877-1932). Engeland heeft The Wheels of Chance (1896) van H.G. Wells, waarin een winkelbediende per fiets een jongedame probeert te helpen ontsnappen aan beknellende Victoriaanse normen. Frankrijk heeft het libertijnse Voici des Ailes! (‘Kijk, vleugels!’, 1897) van Maurice Leblanc, waarin een gezamenlijke fietstocht van twee stellen leidt tot een partnerwissel en naaktfietserij in de vrije natuur. 2 En Nederland heeft ‘Pastorale’ (1907). 3 Anders dan de fietsklassiekers van Wells en Leblanc is ‘Pastorale’ geen roman, maar een kort verhaal. Het telt niet meer dan 3000 woorden, precies genoeg om duidelijk te maken waaraan de door Poe en Kipling geïnspireerde anglist Hopman zijn reputatie als de uitvinder van de Nederlandse short story te 2 Zie over Franse en Britse literaire werken rond 1900 over fietsen: Brogan (2022). 3 Alle citaten uit ‘Pastorale’ zijn ontleend aan de eerste publicatie van het verhaal in het decembernummer van Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 17(1907), 406-410. Een enkele spellingcorrectie is toegepast.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 54 danken heeft. 4 Het verhaal bestaat volledig uit de beschrijving van een aanrijding tussen een auto en een fiets die tot de dood van de fietser leidt. Het is bij mijn weten de vroegste literaire verwerking van het conflict tussen beide vervoermiddelen in Nederland—en het verdient alleen al om die reden de status van een Nederlandse fietsklassieker. Dat niet de ontsnapping aan sociale distincties, zoals bij Wells, of de vrije liefde, zoals bij Leblanc, maar juist een verkeersconflict tussen auto en fiets hier zo vroeg zo’n sterke literaire vorm kreeg, mag misschien wel typerend worden genoemd voor de Nederlandse fietscultuur, waarin juist het scheiden van de wegen van auto’s en fietsen (denk aan de alomtegenwoordige fietspaden) zo’n grote rol is gaan spelen. ‘Pastorale’ is ook een ‘kroniek van een aangekondigde dood’ van Nederlandse bodem. Vanaf het begin is de noodlottige afloop duidelijk. “De stoomtram vertrok om 2.05 uit Velp en werd op de Plaats des Onheils verwacht om 2.20. Ongeveer terzelfder tijd vertrok de auto uit Dieren. De fietsrijder was al lang onderweg en reed naar zijn dood.” En net als in het boek van García Márquez is het juist de vanaf het begin bekende afloop die voor de suspense bij de lezer zorgt. Hoe zal het onvermijdelijke precies in zijn werk gaan? Eveneens net als bij García Márquez is Hopmans verhaal gebaseerd op een werkelijke gebeurtenis. Of althans, dat wil de schrijver ons doen geloven. ‘Pastorale’ begint met een citaat uit een krant waarin het ongeval en zijn dodelijke afloop worden beschreven. Vervolgens introduceert Hopman een ‘ooggetuige’ van het ongeluk die het krantenverslag niet alleen stilistisch maar 4 Van Pesch (1932), 190.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 55 ook “metaphysisch” onbevredigend vindt. Diens “lezing van het voorval” wordt aanvankelijk aangekondigd als de inhoud van het verhaal. Maar al meteen blijkt dat er behalve de ooggetuige ook een ikverteller is, die niet met de ooggetuige samenvalt en die uitdrukkelijk op de voorgrond treedt als degene die het verhaal daadwerkelijk schept (naar hij doet voorkomen op het eind, om zijn oud-leraren eindelijk het verlangde opstel over “een ongeluk” te kunnen presenteren). De schrijver bouwt eerst met zoveel woorden “het decor” op en plaatst vervolgens “de figuranten” daarin, geeft de ooggetuige zijn plek (“Wetend wat komen zal, heb ik hem daar neergezet”), verraadt ons de gedachten van de hoofdpersonages en manipuleert de tijd, meet haar af, zet haar stil en spoelt haar terug. Het kunststuk dat Hopman hier volbrengt, is dat de schrijver uitdrukkelijk een rol krijgt als de constructeur van het verhaal zonder dat dat ten koste gaat van de overtuigingskracht of de spanning ervan. Het tegendeel is het geval: het resultaat is een gelaagd en fonkelend kleinood van een verhaal. ‘Pastorale’ lijkt zodoende ontstaan uit een uitgesproken contrast tussen feit en fictie, tussen het krantenverslag en de constructies van de schrijver. Tegelijk was het volgens Hopman juist in een short story de uitdaging om “de illusie van levensvolheid en parelende realiteit” te creëren. 5 Voldoende reden om de wisselwerking tussen feit en fictie in ‘Pastorale’ nader te bekijken. 5 Hopman (1920), 175.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 56 De werkelijkheid van ‘Pastorale’ A.J. van Pesch, levenslange vriend van Hopman en schrijver van de best geïnformeerde studie over zijn leven en werk, heeft eens opgemerkt dat voor Hopmans intimi vrijwel elk karakter in zijn verhalen een herkenbaar persoon uit zijn omgeving was. Als een geoefend observator—Hopman bezat ook een sterk tekentalent —ontleende hij “de stof voor zijn verhalen […] aan voorvallen en personen uit zijn directe omgeving”. 6 Dat geldt in ‘Pastorale’ meteen heel concreet voor de locatie van de aanrijding, het “decor” dat de schrijver in het begin van het verhaal nauwgezet opbouwt. De topografische gegevens die hij daarbij vermeldt, zijn één op één te leggen op een gedetailleerde kaart uit de tijd. De verschillende wegen worden benoemd en de routes van fietser, tram en auto met precisie beschreven, een met naam genoemde uitspanning blijkt terug te voeren op een daadwerkelijk bestaand etablissement. De onheilsplek, waar de schrijver de ooggetuige zittend voor zijn villa heeft geplaatst, blijkt bovendien overeen te komen met de locatie van ‘Huis in den Enk’ tussen Rheden en De Steeg, de villa waar Hopman tussen 1904 en 1908 woonde en waar ‘Pastorale’ werd geschreven. 7 Volgens Van Pesch was Hopman in 1907 ook nog eens zelf getuige van een aangrijpend dodelijk ongeval—zij het een verdrinking, geen aanrijding. 8 Ook het portret van de fietser lijkt zeker ten dele ontleend aan Hopmans eigen leven—al heb ik nergens een bevestiging 6 Van Pesch (1932), 190. 7 Van Pesch (1932), 184; ’s-Gravesande (1935), 24. 8 Van Pesch (1932), 186.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 57 kunnen vinden dat hij daadwerkelijk een fietser was. De fietser in ‘Pastorale’ wordt gepresenteerd als “een droomer, een poeet”, een natuurliefhebber die voor de duur van een zomerse vakantieweek de geliefde omgeving van De Steeg waar hij als kind verbleef, bezoekt om te ontsnappen aan zijn werk en de “groote, rumoerige, sombere stad” waar hij woont. Het zijn kenmerken die veel parallellen vertonen met de levensdata en de karakteriseringen van Hopman zelf—een dromer en kunstenaar met een grote liefde voor de natuur en een moeizame verhouding tot het werkende leven, zowel volgens zijn belangrijkste biograaf als volgens Hopmans eigen autobiografische teksten. 9 Belangrijker—althans voor het begrip van het verhaal—is de realiteit van het ongeval zelf. Hoewel de krant en het krantenbericht waarmee ‘Pastorale’ begint verzonnen blijken te zijn, waren ongelukken met auto’s rond 1907 een steeds vaker voorkomend verschijnsel dat uitgebreid in de pers werd besproken. Dit kan wellicht verbazen. Er waren op dat moment op een bevolking van vijfeneenhalf miljoen inwoners niet meer dan ongeveer duizend autobezitters (en circa 325.000 fietsers). 10 Maar het geweld en de dreiging die de auto door zijn fatale combinatie van massa, snelheid en wendbaarheid op de wegen introduceerde, was een nieuw fenomeen dat in deze tijd nog niet genormaliseerd was en daarom tot veel onrust en protesten leidde. Historicus Gijs Mom spreekt voor deze periode van een “breed levend maatschappelijk verzet tegen auto en motorfiets” en zelfs van “een toestand van permanente oorlog”, vooral op 9 Zie Hopman (1989), ‘s-Gravesande (1935), Van Pesch (1932). 10 Mom & Filarski (2008), 67; Bruheze & Veraart (1999) 44.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 58 het platteland. 11 In het parlement leidden de discussies in 1908 tot een aanscherping van de mogelijkheid van gemeenten om strenge snelheidsbeperkingen in te voeren en later (in 1924) tot de automatische aansprakelijkheidstelling van automobilisten voor toegebrachte schade bij ongevallen. 12 In kranten werd herhaald gerept over “de automobielplaag”, 13 terwijl het socialistische dagblad Het Volk in 1906 naar aanleiding van alweer een dodelijke aanrijding onomwonden sprak over automobilisten als “rijke moordenaars”. 14 Eén van de dodelijke aanrijdingen door auto’s die in 1906 landelijk nieuws werd, kan goed de directe inspiratiebron zijn geweest voor Hopmans verhaal. Op 2 september 1906 werd in Aerdenhout bij Haarlem een zeventienjarige fietser, “zoon van een armen vischboer” zoals een krant meldde, 15 doodgereden door een automobilist, een notaris uit Utrecht. Een ooggetuige beschreef in De Telegraaf hoe de auto op de Zandvoorterweg ter hoogte van villa Bel-Air “in vliegende vaart” uit de bocht vloog en daardoor de fietser op de andere weghelft niet meer kon ontwijken. 16 De zaak leidde tot veel ophef en tot publieke oproepen om snelheidsbeperkingen in te voeren. De automobilist verdedigde zich ondertussen met het verwijt dat de fietser blijkbaar “geen uitstekend rijder” was en onhandig had gereageerd—net als in ‘Pastorale’, waar de advocaat van de automobilist volgens een terloopse mededeling van de verteller 11 Mom & Filarski (2008), 66-67, 86, 90. 12 Zie Verkade & Te Brömmelstroet (2020), 102-104; Kooiman (1926), 7173 en 149-189. 13 O.a. Nieuwe Tilburgsche Courant, 6 april 1907. 14 Het Volk, 5 september 1906. 15 Nieuwe Haarlemsche Courant, 21 januari 1907. 16 Telegraaf, 4 september 1906.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 59 voor de rechtbank later correct zou opmerken dat “een koel, wakker man had kunnen ontkomen”. 17 In dit verband is er één feit dat Hopman in ‘Pastorale’ noemt dat cruciaal is voor de lezing van het verhaal. De snelheidsmeter van de auto wijst kort voor de aanrijding—in de woorden van de verteller—“een bedachtzame 60 K.M.” aan. Een dergelijke snelheid mag tegenwoordig niet bijzonder hoog lijken voor een locatie buiten de bebouwde kom, maar in 1907 lag dat volstrekt anders. De eerste nationale Motoren Rijwielwet die per 1 januari 1906 van kracht was geworden, had weliswaar uiteindelijk geen maximumsnelheden vastgesteld en slechts in algemene zin gevaarlijk rijden verboden. Maar in de voorafgaande beraadslagingen in de Tweede Kamer werden snelheden van 30 of 40 km/u door de meeste sprekers als maximaal toelaatbaar beschouwd in alle omstandigheden. 18 Volgens de normen van de tijd betrof de snelheid van de auto in ‘Pastorale’ een absolute topsnelheid en dat Hopman die snelheid “bedachtzaam” noemt, kan niet anders worden geïnterpreteerd dan als ironie (om niet te zeggen sarcasme). 19 Ambiguïteit als literaire waarde Hopmans verhaal verwees dus naar een maatschappelijke realiteit en een actueel thema dat onderwerp was van een heftig publiek debat: de gevolgen van de opkomst van de auto voor de veiligheid van de overige weggebruikers. 17 Algemeen Handelsblad, 8 september 1906. 18 Kooiman (1906), 200-201; vgl. Mom & Filarski (2008), 90. 19 Mom & Filarski (2008), 66.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 60 Hopman ontvouwt het verhaal vanuit verschillende perspectieven. Hij volgt eerst de fietser tot en met diens dood door het ongeval. Dan zet hij de gebeurtenissen weer terug “als de rol van een phonograaf en laat weer afloopen” om de aanloop naar de botsing vanuit de auto te beschrijven. Vervolgens stapt hij over op het perspectief van de ooggetuige om de afloop van de aanrijding uit de doeken te doen. Tegelijk staat hij als de ikverteller boven de individuele perspectieven, beschrijft het samenkomen van de verschillende actoren en telt de tijd af naar het einde. Het verhaal ontrolt zich als een “bioscoop-opname”, waarmee “de vertooning” door de verteller ook wordt vergeleken. Zoals eerder de fonograaf, levert de nieuwe techniek van de film de schrijver zodoende het mentale instrumentarium om zijn verhaal te doen, zoals de verteller ook, als de aanrijding uiteindelijk een feit is, het verhaal een seconde stilzet, waarin de betrokkenen “roerloos [blijven] in groteske houdingen als op momentfoto's” (mijn cursivering, MS). Het perspectief van de fietser is het hart van het verhaal. Hopman doet alles om je mee te laten leven met deze “dromer” in zijn kostbare vakantieweek. In het verhaal is hij al de hele morgen op pad in de natuur, fietsend over “heiheuvelpaden en door de bosschen”. Gedetailleerd wordt de zintuiglijke ervaring van het fietsen beschreven, het gevoel van het stuur in de handen, het geluid van het grind onder de banden, “het fladderend windschokken, zachtdreunend in de oorschelpen”. De fietser versmelt met zijn fiets: Beneden gleed de weg zachtjes onder hem. Hij was éen geworden met zijn machine, het gestadige trappen op de pedalen niet bewuster meer, dan het kloppen van zijn hart – zijn lichaam was uitgebreid […] Zoo had hij
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 61 gereden [...] onbewegelijk zittend, tot zijn voortgang zweven leek […] Hij was hoog en stil te midden van het leeven. De beleving van de fiets als een extensie van het eigen lichaam en van de activiteit van het fietsen als “rust in beweging” mogen ons uitzonderlijk in de oren klinken, maar waren indertijd veelgehoorde ervaringen, die tot de essentie van de fietsbeleving behoorden. 20 Dat geldt ook voor de openheid van de fietser ten opzichte van de omgeving, die Hopman eveneens beschrijft: Hij zag weer de wijde panorama’s van de heuvels af en de open plekken in de schaduw-bosschen en de wonderbare leemafgravingen; hij herkende den geur van de gestoofde dennenbosschen en den rook van het plaggenvuur dat zijn weerga in de wereld niet heeft; hij hoorde weer de wielewaal fluiten in de beukentoppen en het gerinkel der bellen op het paardentuig […] En het was goed. God, wat was het goed! Maar het grote geluk eindigt als de fietser uit het bos komt en de straatweg inslaat, “den heirweg van beschaving en vooruitgang”. Als een tegemoetkomende auto in een uitwijkmanoeuvre recht op hem afkomt, reageert de fietser niet meteen en delft het onderspit: Hij had […] nog zestig seconden te leven. […] Juist toen schoot de auto van achter de janplezier, recht voor hem uit […]. De droomer weifelde een oogwenk en was verloren. Drie en vijftig. Vier en vijftig. Hij schrok met 20 Zie bijvoorbeeld Ebert (2010), 55-90.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 62 een woeste kramp in de zonnevlecht en diepe inademing. De perfiede machine onder hem reed met hem weg. Zeven en vijftig. Hij sloot de oogen en wachtte een eeuwigheid met half-apathische nieuwsgierigheid wat komen zou. Een oogenblik van vreeselijke hoofdpijn. Zestig! En het was volbracht. Het autoperspectief wordt minder invoelend beschreven. In veel opzichten is de beschrijving ervan diametraal tegenovergesteld aan het perspectief van de fietser: De auto joeg aan; van alles wat zich vrij op straat bewoog het eenige wat doelbewust en krachtig voorwaarts streefde, als een eerzuchtig, talentvol man in een wereld van weifelaars en zwakken. Zulk een moet vernietigen een ieder, die niet ruim baan maakt. Hopman benoemt wel de inzittenden—meneer, mevrouw, haar zus en een logee—maar kiest welbewust niet de chauffeur om het perspectief vanuit de auto te vertellen. Hij presenteert de auto als een zelfstandig handelend object—”de auto joeg aan”, “de auto die haar werk kwam doen”—gadegeslagen door een onschuldige bijrijder, de logee, een jonge “juffrouw” die voor het eerst een autorit maakt. Zij is onder de indruk van de “prachtig wijnrood gelakte machine” en raakt in vervoering door de snelheid en het gevoel van “alomtegenwoordigheid” die de snelheid haar geeft. Zij observeert ook hoe “beangstigend ingewikkelde groepen van menschen en voertuigen” uiteenwijken bij het naderen van de auto. Op het moment van de aanrijding slaat ze de handen voor de ogen, maar zij kan zich niet bedwingen om door haar vingers tóch te kijken—als een kijker naar een horrorfilm.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 69 In het verhaal wordt een beginnend schrijver uitgenodigd om uit zijn werk voor te lezen in een zaaltje in zijn eigen woonplaats Wrâldsein. Initiatiefnemer is de notaris, voorzitter van het Dorpsbelang. Hij is er trots op uitgevogeld te hebben dat Wrâldsein een schrijver heeft. Het is drukker dan normaal. De schrijver zelf nodigt de aanwezigen uit mee te denken over het werk—hij is tenslotte een beginner, er valt nog veel te leren. De schrijver opent met een vertelling in ik-vorm over een jongeman die op een zaterdagmiddag zijn buurt—de “buorren” —verlaat om over een landweg naar zijn vriendinnetje in een ander dorp te fietsen. In gedachten mijmert hij over het mooie meisje, vervloekt de harde wind en verheugt zich op een vrije zondag waarop hij kan uitslapen. Een boer probeert hem met een wagen vol melkbussen in te halen—die jakkert natuurlijk omdat hij vergeten is de melk op tijd voor de coöperatie aan de weg te zetten. De jongeman zoekt de berm op. Met deze wind wil hij niet onder de wagen belanden. Dan steekt een van de aanwezigen zijn hand op. Hij baalt ervan dat hij als slordige boer wordt neergezet. Dat van die melkbussen is echt maar een keer gebeurd. Dat doet er niet toe, vindt de schrijver. Het verhaal hoeft helemaal niet over de bezwaarmaker te gaan. Het is fictie, het kan elk dorp zijn. Maar de notaris zou het jammer vinden wanneer iemand zich door een passage beledigd zou voelen—kan de schrijver die schrappen? Nou, niet van harte, maar vooruit. De schrijver wil doorgaan met zijn voordracht, maar wordt keer op keer onderbroken. Want er dient niet te worden gevloekt en over meisjes moet met respect worden gesproken. Een van de toehoorders voelt zich diep gekwetst door de gedachte dat de
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 70 zaterdag (“sneon”) de mooiste dag van de week zou zijn vanwege het vooruitzicht op de vrije zondag (“snein”). Doe’t ús mem noch libbe sei se altyd dat de sneintojoun de moaiste joun fan ‘e wike wie, hwant dan hie men twaris yn tjserke it wurd fan God heard. [Sa] wurdt de neitins fan ús mem troch it slyk helle (Riemersma, 1967, p. 188). Toen mijn moeder nog leefde zei ze altijd dat de zondagavond de mooiste avond van de week was, want dan had men twee keer in de kerk het woord van God gehoord. [Op deze manier] wordt de nagedachtenis aan mijn moeder door het slijk gehaald [Vertaling KB]. Tegen de bezwaren brengt de schrijver alles in wat schrijvers in soortgelijke gevallen doen: het is fantasie, hij mag schrijven wat hij wil, de details maken het verhaal realistisch, maar zijn daarmee nog niet waar gebeurd. Het helpt niet. De notaris blijft minnelijk schikken, de schrijver moet telkens schrappen. Zelfs de fiets roept commentaar op: Ja, foarsitter, it giet der net om dat ik hwat tsjin Teitsma ha. Mar hwerom moat der yn dit forhael reklame makke wurde foar Teitsma syn forsnellingsfytsen en net foar myn tabaksbidriuw? Dat is net earlik, tinkt my. Tankewol. (Riemersma, 1967, p. 193). Ja, voorzitter, het is niet dat ik wat tegen Teitsma heb. Maar waarom moet er in dit verhaal reclame worden gemaakt voor Teitsma’s fietsen-met-versnelling? Waarom niet voor mijn sigarenzaak? Dat lijkt me niet eerlijk. Dank u wel. [Vertaling KB].
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 71 De notaris rondt af en vraagt de schrijver het verhaal nog eens voor te lezen. Er zijn nog vier woorden over: “Ik de buorren út.” (Riemersma, 1967, p. 193). Ik de buurt uit.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 72 Bibliografie Anoniem (1964a). Friesch Dagblad klaagt auteur van Friese Roman “Fabryk” aan: Geen spoor van schaamtegevoel. Friese Koerier, 30 oktober, p. 3. Anoniem (1964b). Twadde printinge fan “Fabryk” út. Leeuwarder Courant, 11 november, p. 7. Anoniem (1964c). Tr. Riemersma en Lolle Nauna yn “De Tsjerne”. Friese koerier, 30 november, n.p. Anoniem (1967a). Koe-mest op ramen van Friese schrijver (1967). Het Parool, 10 januari, p. 11. Anoniem (1967b). Misverstand rond zijn laatste boek: Geen ontslag voor de Friese schrijver Trinus Riemersma. Leeuwarder courant. 11 januari 1967, p. 17. Anoniem (1967c). Schrijver Riemerma ontslagen. Friese koerier, 22 april, p. 1. Anoniem (1967d). Geen ontslag voor Trinus Riemersma. Friese koerier, 12 augustus, p. 3. Anoniem (1967e). Gysbert Japicx-prijs uitgereikt aan Trinus Riemersma. Het Rotterdamsch parool, 13 oktober, n.p. Anoniem (1967f). Taart voor het Friesch Dagblad van Riemersma. Leeuwarder Courant, 13 oktober, p. 1. Anoniem (1970). Trinus Riemersma wordt onderwijzer aan lagere school te Herbaijum. Leeuwarder Courant, 14 februari, p. 13. Fraanje, W. (2025). Tiny Mulder was zoveel meer dan een verzetsheld uit de oorlog: ‘Us mem is ús mem is ús mem’.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 73 Leeuwarder Courant, 1 maart, https://lc.nl/friesland/Deel-1in-de-serie-over-naoorlogse-vrijheidsstrijders-Tiny-Mulderwas-Tiny-Mulder-was-Tiny-Mulder-45474695.html Kooman, E. (2016). Mulder, Trijntje. In Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemma ta/data/MulderTiny Riemersma, Tr. (1967). De skriuwer foar het doarpsbelang, De Tsjerne 22(5),1 83-193. https://www.dbnl.org/tekst/_tsj002196701_01/_tsj002196 701_01_0045.php Sijens, D. (2024). Der is neat om glêd te striken: Biografy fan Trinus Riemersma. Wijdemeer.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 74
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 75 Meer nuance en twijfel Voor Jan De Roder Georgi Verbeeck We schrijven medio april 2025. Hoogleraar in de rechtswetenschap Alain-Roland Verbeke is een graag geziene gast in de Nederlandse en Vlaamse media. Verbeke is verbonden aan de universiteiten van Leuven, Tilburg en Harvard, en onder meer gespecialiseerd in onderhandelen en mediation. Verbeke laat van zich horen op een moment dat er in de Verenigde Staten een keiharde wind door de academische wereld waait. Donald Trump heeft immers de oorlog verklaard aan een aantal Amerikaanse topuniversiteiten waaronder die van Harvard. De hoogleraar en jurist roept op tot verzet tegen wat hij beschouwt als een dreigende machtsgreep van een tiranniek regime op de universiteiten. Het lag in de lijn van de verwachtingen dat de chaos en ontwrichting die de Trump regering zowat overal aanricht nu ook het hoger onderwijs zou bereiken. Verbeke maakt zich grote zorgen om de frontale aanval op de academische vrijheid en de wetenschap die de Trump ‘administratie’—amerikanismen sluipen overal binnen, ondanks de wrevel die velen jegens de huidige bewoner in het Witte Huis wellicht voelen—in het kader van diens ‘anti-woke’ campagne heeft ingezet. Dat dan uitgerekend elite-universiteiten een favoriet doelwit vormen, kan niet echt verbazen. Het past in een anti-intellectuele kruistocht die populisten nu eenmaal graag en met verve voeren.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 76 Verbeke verkondigt zijn zorgen luid en duidelijk. Het is een civiele plicht om niet te zwijgen. Maar hij argumenteert ook met nuance. Het bevriezen van fondsen zou in het uiterste geval eventueel nog enigszins verdedigbaar zijn, op basis van het principe ‘wie betaalt, die bepaalt’. Veel ernstiger is de dreiging om rechtstreeks in te grijpen in het bestuur van de universiteiten zelf. Dit zou neerkomen op het overnemen van autonome instellingen. Controle op de uitgaven door wetenschappelijk instellingen dient trouwens ook altijd enkel op basis van kwaliteitscriteria te gebeuren, en niet om wat voor andere redenen dan ook. Fondsen inhouden bij medisch en natuurwetenschappelijk onderzoek of voor technologische innovatie omdat men zich bij de humanities en social sciences solidair voelt met de Palestijnen, raakt kant nog wal. Het zijn tijden waarin veel zekerheden beginnen te verschuiven. Rond hete hangijzers is een intellectueel mijnenveld ontstaan, waarin het moeilijk is geworden om niet de verkeerde stappen te zetten. De kwestie rond antisemitisme is er een voorbeeld van. Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat Jodenhaat niet tot het verleden behoort. En het vraagt ook enige kundigheid om het telkens te herkennen waar het misschien niet onmiddellijk zichtbaar is. Zeggen op te komen tegen antisemitisme zou dus ‘woke’ moeten zijn. Maar het verwijt van antisemitisme is nu ook van kamp aan het veranderen. ‘Antiantisemitisme’ als het ware, een soort witwasoperatie die bedoeld is om het niet over het lijden en het onrecht dat anderen wordt aangedaan te hebben. De oorlog in Gaza heeft dit debat alleen maar verder op scherp gezet. Het verwijt dat een zekere pensée unique de overhand heeft gekregen aan de universiteiten is zeker niet uit de lucht gegrepen,
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 77 maar de stormram die nu wordt ingezet gooit het kind met het badwater weg. Het is schieten met een kanon op een mug. Rechtse populisten die zich voordoen als libertariërs zijn doodstil als de vrijheid van anderen en de vrijheid om van mening te verschillen door de door hen bejubelde leiders worden gekneveld. Opkomen voor een ongelimiteerde vrijheid van meningsuiting was dus blijkbaar een schaamlapje om er een nieuw soort autoritarisme mee op te tuigen. Vaak wekt de opmerking dat Trump misschien af en toe ‘ook een punt heeft’ bij diegenen die niets van hem moeten hebben ergernis op. Maar het is zoals bij een stilstaande klok: die geeft ook twee keer per etmaal het juiste uur aan. Is het Trumpisme te verklaren vanuit iets wat eerder scheefgelopen is? Kunnen de culture wars in de VS en in Europa aanleiding geven tot een nieuwe redelijke bezinning, of is het hek helemaal van de dam en dreigt alleen nog maar meer ellende? Redelijke stemmen van de linkerén de rechterzijde zijn misschien te weinig opgepikt door de media, en de intellectuele verkokering belet dat er echt naar de overkant wordt geluisterd. De koppelverkoop van argumenten is daar een goed voorbeeld van: eenmaal men een bepaalde kant heeft gekozen, neemt men alles wat vanuit die hoek naar voren wordt geschoven er voor lief bij. Soms worden die loopgraven overgestoken: ter linkerzijde door iemand als Susan Neiman, ter rechterzijde door sommige conservatieve zwarte Amerikanen. En dat levert altijd interessante en nieuwe inzichten op. Diegenen die, terecht, voor een diversiteit aan opinies pleiten, zouden deze aanbeveling best zelf ter harte nemen. Democratie is meer dan het bekrachtigen van het eigen gelijk. In Europa zijn de politici die tegen de elites en het establishment fulmineerden,
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 78 vaak de wegbereiders geworden van een nieuwe autocratie, dikwijls verpakt als een illiberale democratie. Zowel conservatieve auteurs als Anne Applebaum, als liberale intellectuelen zoals Timothy Snyder of Michael Ignatieff hebben de deemstering van de democratie in sommige Europese landen goed beschreven. En dat levert geen fraai beeld op. De democratie staat wereldwijd onder druk, en dat wordt met de dag duidelijker. Terug naar Harvard. De cultuuroorlog die deze universiteit heeft bereikt, raakt aan de kern van het academische bedrijf. Academische vrijheid betekent dat alles en iedereen zich telkens aan constante kritiek moet onderwerpen. Niet toevallig ziet iemand als Verbeke zich in de filosofische traditie van John Stuart Mill en Karl Popper staan. Zijn expertise op het vlak van mediation komt daarbij goed van pas. Wat Trump als zelfverklaarde ‘dealmaker’ aanricht, of het nu over handelsbeleid, de NAVO of de universiteiten gaat, heeft natuurlijk niets met onderhandelen te maken. De door zijn volgelingen bewierookte supreme businessman-in-chief onderhandelt niet, maar dicteert. Hij gebruikt macht, angst en intimidatie en is helemaal niet geïnteresseerd in de belangen van anderen. Wie mediatie ter harte neemt, vertrekt vanuit de waarde van radicale empathie: anderen een zo volledig mogelijke vrijheid gunnen en zelf niet altijd met voorgekookte meningen afkomen. Dialoog in plaats van debat. In het eerste gaat het om luisteren, in het tweede om regels en trucs. Dat betekent dat er ook iets in jezelf moet veranderen. Zoeken naar de juiste evenwichten wordt een nieuwe opdracht. Redelijke twijfel en verwondering moeten de kern blijven uitmaken van de wetenschap, het onderwijs en het intellectuele debat. Een pleidooi dus voor meer twijfel en
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 85 ondergrens. Dat mensen kunnen kiezen, hun omgeving enigszins naar hun hand kunnen zetten, kunnen bewegen en erkennen dat hun vrijheid afhangt van die van anderen, dit alles maakt mensen tot mensen. Dus de aantasting van een of alle vormen van wat Snyder vrijheid noemt, zou ik geen aantasting van hun vrijheid noemen, maar van wat ze tot mensen maakt. Bovendien: al ons handelen vindt plaats in een context met zowel mogelijkheden als beperkingen; de vraag naar vrijheid wordt pas interessant als we naast de mogelijkheden de beperkingen in het vizier hebben. Lang niet alle beperkingen blokkeren onze vrijheid. Soms maken ze deze juist mogelijk. Zelf heb ik het gevecht om door te kunnen leren niet hoeven voeren. In ons gezin werkte een patriarchale traditie door waarin meisjes achtergesteld werden bij jongens. Maar deze traditie maakte de jongens niet per se ‘vrijer’ dan de meisjes. Ze kregen niet méér maar andere mogelijkheden. En beperkingen: zij moesten vaak op het land werken. Net als de meisjes zaten zij ingesnoerd in een net van verwachtingen over hun toekomst, maar die verwachtingen verschilden van elkaar. Idealiter moesten de jongens meehelpen in het bedrijf, en mogelijk ook een rol spelen bij de overname ervan. Mijn oudste broer wilde graag, maar kon niet omdat het bedrijf in de begintijd te klein was voor twee paar handen en zeker voor twee kapiteins op het schip. Dat was een reële inperking van zijn vrijheid, reëel omdat hij belemmerd werd in zijn mogelijkheden, net zoals mijn zussen dat werden. Ik denk dat je pas van vrijheid kunt spreken als je de concrete balans kunt opmaken van wensen, mogelijkheden en beperkingen. Het moet gaan om wensen en mogelijkheden die door beperkingen niet gerealiseerd kunnen worden.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 86 In mijn geval was er helemaal geen gevecht om door te kunnen leren. In de loop van de laatste klas van de lagere school (nu groep 8) kreeg ik van mijn moeder te horen dat ik op bijles moest om toegelaten te worden tot het gymnasium. Ik werd in de klas geplaatst bij het groepje kinderen dat ging ‘doorleren’ en moest ineens rijtjes stampen (1600 Slag bij Nieuwpoort, etc.) en de provinciehoofdsteden uit mijn hoofd leren. Ik had niet voor deze wending gekozen, was daar op dat moment helemaal niet mee bezig. (Bij veel beslissende wendingen in mijn leven vraag ik mij achteraf af waar ik wél mee bezig was!) Ik vermoed dat de hoofdzuster van de school (een non) mijn ouders had getipt en ik denk ook dat niemand in mij een tuinder of bouwvakker zag, mijn broers al helemaal niet. De school die ze op het oog hadden, was het al genoemde Bisschoppelijk College Hageveld, toevallig sinds het jaar dat ik daar kwam (1967) geen priesteropleiding (kleinseminarie) meer. Het was lange tijd de droom van katholieke ouders dat een van hun zonen priester werd. Een (andere) oudere broer was redelijk ver gekomen maar bedacht zich te elfder ure toen de inwijding in zicht kwam. Dat hij lange tijd de route naar het celibaat had gevolgd zal hij niet als ‘vrijheid’ hebben ervaren, maar het verlaten van dit pad waarschijnlijk wel. Een andere broer had drie jaar op Hageveld gezeten, maar was daar doodongelukkig geweest omdat hij anders dan ik wel met zijn handen wilde werken. De school die voor mij mogelijkheden opende, sloot deze voor deze broer juist af. Betrad ik het rijk van de vrijheid, terwijl hij uit datzelfde rijk werd gestoten? Allemaal grote woorden. Dat hij werd belemmerd in zijn mogelijkheden was toen heel concreet, zijn opstandige gedrag (hij werd van school en internaat gestuurd) was daar rechtstreeks mee verbonden.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 87 In mijn geval kan ik echter pas achteraf deze samenloop van omstandigheden zien als een vergroting van mijn mogelijkheden. Om deze samenloop en mijn verhuizing naar het internaat te zien als een toename van vrijheid is een interpretatie achteraf nodig, een omvattend verhaal waarin deze stap in mijn biografie betekenis krijgt. Ik denk dat het begrip vrijheid heel vaak een plek krijgt in zulke verhalen die mensen over zichzelf vertellen. Het is een woord dat we gebruiken om te vertellen wie wij zijn, om onze identiteit te markeren. In deze betekenis verschijnt vrijheid of bevrijding ook in collectieve emancipatieprocessen. De ontknechting van de arbeid, de bevrijding van de katholieken, de emancipatie van vrouwen, het zijn verhalen waarin mensen hun identiteit markeren. Wij zijn anders dan jullie denken dat we zijn. Wij mogen er ook zijn. Hier gaat het niet in de eerste plaats om vrijheid, maar om het recht om anders te zijn. Of gelijk te zijn. En om erkend te worden, als mensen naast andere mensen. Het overkoepelende verhaal gaat over erkenning van identiteit, en alleen als belemmeringen worden opgeheven, beperkende wetten en structuren worden aangevallen en afgeschaft, ouderwetse denkbeelden ter discussie gesteld en terzijde geschoven, alleen dan kan zinvol over bevrijding en vrijheid worden gesproken. Als ik zo terugkijk op het sleutelmoment toen ik het huis uit ging, is vrijheid niet het eerste woord waar ik aan denk. Ik wist weinig tot niets over de situatie van mijn broers en zussen; ik wist zelfs niet dat ik zelf door wilde leren. Dat ik dat kon en met succes mijn school afmaakte, en daarna na twee tussenjaren ging studeren, dat alles is onderdeel van mijn biografie geworden. Misschien dat ik de grote uitzondering ben geweest, maar in dit overkoepelende verhaal over mijzelf zie ik weinig ruimte voor vrijheid of zelfs bevrijding. Ik heb mijn ouderlijk milieu nooit als
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 88 een belemmering gezien. Ik weet dat mijn ouders het beste met mij voor hebben gehad. Zij hebben mijn verblijf op het internaat kunnen bekostigen met de driedubbele kinderbijslag waar zij in mijn geval toen recht op hadden. Het extra inkomen dat mijn uithuizigheid opleverde kwam ze ongetwijfeld goed uit, zou een cynicus kunnen zeggen, maar zo zie ik dit niet. Zij moesten roeien met de riemen die zij hadden. Ik heb grote moeite met de aandacht die tegenwoordig wordt besteed aan zogenoemde ‘eerste generatie’ studenten die door verder te leren en studeren ‘bevrijd’ zijn uit een als ‘eenvoudig’ gekenschetst milieu. Zij zijn niet ‘bevrijd’, maar hebben kansen gekregen om zich buiten hun ouderlijke milieu te ontplooien. Natuurlijk kan dat milieu in sommige gevallen belemmerend werken, maar hetzelfde kan gelden voor een milieu waarin kinderen geacht worden te treden in de voetsporen van oudersprofessoren. Ik maak deel uit van een generatie waarin voor het eerst vrij massaal werd gestudeerd. Ik ben achteraf heel blij met deze mogelijkheden, maar een bevrijding zou ik dit niet willen noemen. Net als in de ‘diplomademocratie’ van tegenwoordig waarin de kloof tussen hoogen laagopgeleiden minder dan vroeger wordt geaccepteerd, zorgde het uiteenlopen van de opleidingsniveaus van de kinderen vroeger ook thuis voor spanningen. De kinderen die het ouderlijk milieu verlieten voor een opleiding of werk, vervreemden tot op zekere hoogte van de kinderen die binnen dit milieu bleven en in de meeste gevallen kozen voor een praktische of geen opleiding. De eersten werden ‘studenten’ genoemd, de laatsten ‘boeren’. Mijn ouders verzetten zich tevergeefs tegen dit frame. Zij benadrukten dat we allemaal gelijk waren, maar wij hoorden vooral dat ze de evidente verschillen tussen ons wilden dempen. Ik herinner me dat mijn inmiddels overleden oudste broer
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 89 enorm kon afgeven op mij als ‘studentje’. Hij benijdde mij waarschijnlijk vanwege het verder leren, maar hij zag niet dat ik hem benijdde om de vanzelfsprekende plek die hij thuis en in het dorp innam. Hij kende iedereen, wist in de omgeving feilloos de weg, had een vanzelfsprekende status, was heel lang redacteur van het dorpsblad De Koerier. Of dit hem allemaal gelukkiger of ‘vrijer’ heeft gemaakt, weet ik niet. Ik weet wel dat thuiskomen voor mij ook altijd spanning opleverde: ik verloor de vertrouwdheid met mijn ouderlijk milieu, verloor het WestFriese dialect, wat vooral mijn broers mij regelmatig onder de neus wreven. Mobiel zijn in de betekenis van Snyder, dus bewegen in ruimte en tijd terwijl je je eigen doeleinden volgt, is geen zero-sum van meer of minder vrijheid. De nieuwe mogelijkheden komen ook meestal met een prijs; bewegen is ook achterlaten. Snyder opent al in een van de eerste noten van zijn boek de aanval op Berlins Two Concepts of Liberty. De positieve vrijheid waarover Berlin spreekt (straks meer hierover) is volgens Snyder helemaal geen positieve vrijheid. En het voorzichtige pleidooi van Berlin voor negatieve vrijheid, vrijheid als het ontbreken van belemmeringen op het handelen van mensen, wijst Snyder ook van de hand. Hij maakt een karikatuur van Berlins negatieve vrijheid door het voor te stellen als een vrijbrief voor mensen om maar te doen waar ze zin in hebben, waarbij de overheid wordt voorgesteld als een instantie die mensen alleen maar beperkt in hun handelen. De Verenigde Staten waar conservatieven er alles aan doen om de rol van de overheid in te perken, vormen zo voor Snyder het schrikbeeld van negatieve vrijheid, terwijl de Europese verzorgingsstaten juist positieve vrijheid in optima forma vertegenwoordigen.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 90 Deze lezing van negatieve vrijheid volgt niet uit de opvattingen van Berlin. In feite spiegelen Snyders idee van positieve vrijheid, dus alles wat vrijheid mogelijk maakt, en zijn karikatuur van negatieve vrijheid elkaar: ze zijn beide leeg, lichten vrijheid uit de context waarin mogelijkheden tegenover beperkingen staan, en waarin vrijheid altijd moet worden afgewogen tegen andere waarden zoals gelijkheid of rechtvaardigheid. Als alles wat nastrevenswaard is vrijheid heet, verliest het begrip zijn betekenis. Positieve vrijheid gaat bij Berlin over de mate waarin mensen meester zijn over hun eigen bestaan. De vraag of ik meester ben over mijn leven (‘vrij om’) overlapt deels met de vraag in hoeverre mensen in hun handelen worden beperkt (‘vrij van’), maar valt hier niet mee samen. Berlin is vooral kritisch over die ontspoorde vormen van positieve vrijheid waarbij mensen een bepaald beeld van hun ware vrijheid, hun ware zelf of hun ‘betere ik’ krijgen opgelegd. Deze ware vrijheid steekt dan schril af tegen de feitelijke natuur van mensen met hun gebreken en irrationele hartstochten. Wat die hogere, ware vrijheid precies is, wordt bij Kant heel abstract geformuleerd in termen van wat iemand zou moeten willen als zijn morele keuzes de vorm van een algemene wet zouden krijgen. Maar in politieke ideologieën zoals het communisme en het fascisme valt die ware vrijheid samen met een beeld van ‘de nieuwe mens’ waar mensen uiteindelijk onder dwang aan worden onderworpen. Tegen deze opgelegde vormen van vrijheid die in de praktijk mensen ketenen, verzet Berlin zich. Voor hem moet altijd een minimum van persoonlijke vrijheid blijven bestaan en moet recht worden gedaan aan de diversiteit van doelen en waarden. Zonder dit pluralisme kan ook politiek niet bestaan.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 91 Hebben wij in ons gezin ook te maken gehad met opvattingen over ‘de ware vrijheid’ waar wij ons naar moesten voegen? In elke opvoedingssituatie prenten ouders hun kinderen in met bepaalde idealen en beelden van wat zij zelf als de ware vrijheid zien. Mijn ouders verbonden dit met het katholicisme, en ook met ideeën over fatsoen en ‘zo hoort het nu eenmaal’ die niet per se katholiek zijn. Het beeld van Snyder dat de opvoedingssituatie begint bij het maken van autonome keuzes is naïef omdat hij vergeet dat kinderen altijd kiezen tegen de achtergrond van—en mogelijk ook in oppositie—een gegeven cultuur of gemeenschap waarin sommige keuzes als waardevoller worden gezien dan andere. De capaciteit om te kiezen, voor Snyder de eerste vorm van vrijheid, vormt geen schepping uit het niets, maar betekent meestal kiezen voor of tegen bepaalde opvattingen en idealen. Sommige van mijn zussen hebben gekozen voor het pad dat mijn ouders voor hen als meisjes hadden uitgestippeld, andere zussen verzetten zich daar juist tegen. Ik denk dat in het eerste geval het begrip vrijheid geen toegevoegde waarde heeft, terwijl in het tweede geval vrijheid pas in het geding komt als de capaciteit om te kiezen wordt belemmerd, als de ruimte die kinderen krijgen om autonome keuzes te maken, tegen hun wil wordt ingeperkt. Snyder veronderstelt ook dat keuzes maken altijd betekent dat mensen handelen op basis van bepaalde waarden die zij nastreven. Ik denk dat veel keuzes die wij als kinderen of volwassenen bewust of onbewust maken helemaal niet zo ‘waardengedreven’ zijn. Meestal wordt er gewoon niet gekozen omdat de noodzaak daartoe zich niet voordoet: veel mensen gaan gewoon met de stroom mee. Men kan dit opwaarderen als het maken van autonome keuzes, als een manifestatie van een vorm van vrijheid, maar daarmee wordt het begrip vrijheid wel sterk uitgehold.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 92 Berlin zou voor de meeste vormen van vrijheid die Snyder onderscheidt niet het begrip vrijheid gebruiken, maar andere begrippen zoals soevereiniteit, handelingsbekwaamheid, bewegingsruimte, en daar waar mijn vrijheid niet ten koste mag gaan van die van anderen, van gelijkheid of gelijkwaardigheid. Berlin ontleent zijn voorbeelden van uit de hand gelopen positieve vrijheid aan de geschiedenis van de rationalistische filosofie (waarin de ware vrijheid van mensen uitgespeeld wordt tegen hun irrationele hartstochten) en die van totalitaire ideologieën die met hun voorstellingen van de nieuwe mens een ware terreur hebben uitgeoefend op mensen die niet in dit beeld pasten. Vrijheid is voor Berlin niet ‘het juiste willen’, maar juist de ruimte hebben om onbelemmerd door ideeën of ideologieën van anderen te handelen. Ook als mijn handelen niet wordt gestuurd door waarden, zelfs als mijn handelen door ‘slechte’ waarden wordt gestuurd. Waarom is deze kritiek van Berlin voor ons nog relevant? Wij leven toch in een democratie waarin niet een of andere totalitaire ideologie maar wijzelf bepalen waar de grenzen van dwang liggen? Volgens Berlin is er echter slechts een zwakke relatie tussen individuele vrijheid en democratisch zelfbestuur. In vroegere autocratieën zoals het Habsburgse Rijk was de individuele vrijheid mogelijk zelfs groter dan in onze huidige democratie. Ook tegenwoordig kunnen we subtiele vormen van positieve vrijheid waarnemen waarbij mensen uit naam van een bepaald doel (bijvoorbeeld gelijkheid of gezondheid) en/of op basis van wetenschappelijke inzichten tot een bepaald gedrag gedwongen worden, als zij maar verlicht genoeg zouden zijn, als zij maar beter zouden luisteren naar ‘hun betere ik’. Een heel subtiele vorm van deze ‘politiek van het beter weten’ is het zogenaamde ‘nudgen’, mensen met zachte drang tot beter
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 93 gedrag aanzetten. Hier is niets op tegen, zolang de overheid of organisaties die dit ‘beter weten’ bepleiten (bijvoorbeeld in de vorm van het Preventieakkoord waarin afspraken over gezondheidsbevordering worden gemaakt) maar niet menen dat zij hiermee het beheer over de vrijheid van deze mensen over kunnen nemen. Martin Sommer doelt in De nieuwe standenstaat ook op deze politiek van het beter weten. 24 Voor hem vormt D66 de steen des aanstoots, maar D66 is niet de enige partij die, met wat ik een ‘modernistisch’ vertoog zou noemen, aangeeft waar we met onze samenleving noodzakelijk naar toe moeten. Sommer wijst wel terecht op de boosheid en frustratie die deze vormen van beter weten bij mensen kunnen oproepen. Hij wijt zelfs een belangrijk deel van de bijval die populisten tegenwoordig krijgen aan dit verschijnsel. Natuurlijk bestaat het publieke debat ook uit pogingen om elkaar op basis van debatten over waarden te overtuigen, en vormen wetenschappelijke inzichten hierbij een belangrijk hulpmiddel. Maar wetenschap beslist geen morele of politieke vragen. Dat moeten burgers zelf doen. Het hedendaagse verlies aan gezag van wetenschap staat niet los van een expansionistische visie op wetenschap waarin wetenschap verschijnt als arbiter voor wat in wezen morele of politieke vragen zijn. Het gaat fout zodra keuzes die tegen de als onvermijdelijk voorgestelde modernisering ingaan niet als keuzes, mogelijk zelfs als slechte keuzes worden gezien waarvoor in de politiek ruimte moet zijn, maar als irrationele of rancuneuze oprispingen die men niet serieus hoeft te nemen. 24 Martin Sommer, De nieuwe standenstaat; hoe het gelukkigste land ter wereld zijn goede humeur verloor, Prometheus, 2025.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 94 Waarom is Berlins kritiek op positieve vrijheid van toepassing op deze politiek van het beter weten? In een levendige publieke sfeer vindt een botsing van waarden plaats, maar de ruimte voor zulk debat wordt sterk ingeperkt als de kritiek wordt afgedaan als irrationeel, emotioneel, zelfs rancuneus. Rancune is altijd het verweer van machtelozen. Wie niet mee wenst te gaan in de dominante voorstellingen van het goede leven en de toekomstvisies die daarbij horen wordt net als in de traditionele rationalistische theorieën die Berlin bekritiseert op een zijspoor gezet. Met deze ‘politiek van het beter weten’ zijn we wel erg ver van ons gezin afgedwaald. Maar ook hier werken beelden van positieve vrijheid door. Er was in ons gezin geen uitgesproken levensbeschouwelijk onderbouwde opvatting van wat een katholiek leven zou moeten zijn. In die zin stonden mijn ouders vrij machteloos tegenover de nieuwe tijd. Wel was er vaak een zekere onwil te bespeuren om de keuzes van kinderen die afweken van het gebruikelijke patroon serieus te nemen, laat staan te accepteren. Dit was geen doorleefd conservatisme waarin argumenten werden gegeven waarom de vigerende manier van leven ook de beste was. Nee, de reactie was eerder: we hebben het hier toch goed? Moet dan nou? Waarom zou je dingen anders doen? Negatieve vrijheid is juist om deze reden belangrijk: omdat mensen altijd de mogelijkheid moeten hebben om het anders te doen en om afwijkende opvattingen te hebben. De nadruk die Berlin legt op negatieve vrijheid had te maken met zijn vrees dat opvattingen van positieve vrijheid uiteindelijk ten koste gaan van de noodzakelijke pluriformiteit zonder welke de politiek zou afsterven. In ons gezin ging het niet om politieke pluriformiteit, maar wel om de vrijheid van kinderen om de
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 101 buffet was. Jullie hebben de lekkerste hapjes gepakt— economische groei, betaalbare huizen, pensioenen—en ons achtergelaten met de koude frikandellen van klimaatcrises en algoritmische eenzaamheid.” Haar eerste getuige was Martin Wo, een econoom wiens gezicht zo veel rimpels had dat het leek alsof hij persoonlijk de crisis van 2008 had doorstaan. “Elite failure,” bromde hij, terwijl hij een grafiek projecteerde die aantoonde hoe de welvaart sinds de jaren ’90 was gestapeld in de zakken van mensen die al zakken vol hadden. “Jullie dachten dat de markt alles zou oplossen. Maar de markt lost alleen iets op als je aandelen in de oplossing hebt!” Daarna kwam Thomas Pi., een Franse econoom die zo mager was dat hij waarschijnlijk van de lucht kon leven. Hij toonde cijfers over vermogensongelijkheid, waarbij de rijkste Babyboomers zoveel bezaten dat ze er letterlijk een maanbasis van hadden kunnen bouwen. “En wat deden jullie?” vroeg hij, terwijl hij een stokbrood naar Joris E. gooide uit protest. “Jullie zeiden: ‘C’est la vie!’ En vervolgens la vie werd het voor niemand anders!” De laatste getuige was Paul Fr., een socioloog die al in 1998 had gewaarschuwd dat sociale media ons zouden veranderen in een stel ruziënde hamsters. “Jullie hebben het laten gebeuren,” sprak hij, terwijl hij een screenshot liet zien van een Facebook-post waarin iemand beweerde dat vaccins microchips bevatten. “Dit is geen democratie meer. Dit is een groepschat met 17 miljoen deelnemers, en iedereen typt in hoofdletters.”
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 102 De Verdediging: Tranen en Tractors De verdediging, geleid door een Babyboomer-advocaat die nog steeds geloofde dat een goed verhaal uit drie delen moest bestaan (“Eerst mijn jeugd, dan mijn carrière, dan mijn scheiding”), probeerde medelijden te kweken. “Mijn cliënten deden hun best!” riep hij, terwijl hij een dia toonde van Sander in de jaren ’80, liggend op een bank met een dossier “Bezuinigingen” op zijn buik. “Kijk naar deze man. Hij heeft twee keer een koffieautomaat moeten delen met de VVD!” Joris E. nam het woord en begon over “de ontkerkelijking” alsof het een natuurramp was geweest. “We konden niet weten dat mensen zonder kerk ook zonder moraliteit zouden leven! We dachten dat ze gewoon thuis zouden blijven breien!” Mien Kr. voegde toe: “En de economische crisis? Die kwam uit het niets! Net als die ene regenachtige vakantie in Drenthe!” Het hoogtepunt kwam toen de verdediging een tractor de rechtszaal binnenreed—een knipoog naar de boerenprotesten. “Ziet u?” riep de advocaat. “Zelfs nu worden we lastiggevallen door tractors! Hoe hadden wij dit moeten voorkomen? Wij zijn opgegroeid met typemachines, geen Twitter!” Het Eerdere Proces: Groene Zonden Dit was niet hun eerste schandaal. Jaren eerder waren de Babyboomers al veroordeeld voor het “verkwanselen van de toekomst” in een zaak over klimaatverandering. De rechter toen—een Millennial met een baard die ook veganistisch bier brouwde—had gezegd: “Jullie hebben de aarde behandeld als
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 103 een vakantiehuis. En nu is de wc verstopt, de vloer verzakt, en de ijsbeer voor de deur is boos.” De Babyboomers hadden zich verdedigd met de klassieke “Wij wisten van niets!”-strategie, ondersteund door een powerpoint waarin stond: “CO2? Dat was toch een bandje van Queen?” Radicaal Rechts en de Magie van Simpelheid Terug in het heden haalde Lotte uit naar de opkomst van radicaal rechts. “Jullie maakten het mogelijk,” siste ze, terwijl ze een lijst toonde van partijen die “anti-alles” waren: anti-migratie, anti-woke, anti-wetenschap. “Populisten zijn als goochelaars: ze zeggen ‘Kijk naar mijn hand!’ en stelen ondertussen je rechten. En jullie stonden erbij en keken ernaar, alsof het een aflevering van Wie is de Mol? was!” Ze liet een filmpje zien van een Nederlandse politicus die riep: “Waarom laten we het Centraal Planbureau niet gewoon Pokémon Go doorrekenen?” De rechtbank huiverde. De Dialectiek van Diploma’s en Desillusie De zaak draaide om een simpel maar giftig idee: meritocratie. Mark Bovens verscheen als geest uit het verleden (via hologram) om uit te leggen hoe diploma’s de democratie hadden uitgehold. “Jullie maakten kennis tot koning,” spookte hij, “maar vergaten dat een koning zonder volk slechts een man is met een rare hoed.” Joris E. probeerde tegen te spreken: “Maar kennis is macht!”
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 104 “Nee,” antwoordde Bovens, “kennis is potentiële macht. En jullie hebben die gebruikt om de lift naar boven te breken.” Het Mea Culpa der Babyboomers In een onverwacht moment barstte Sander in tranen uit. “We hebben fouten gemaakt,” snikte hij, terwijl zijn bril besloeg. “We dachten dat globalisering een feestje was. Maar het werd een fuif waar alleen de rijken uitgenodigd waren. En we vergaten de muziek aan te passen!” Hij bekende schuld over migratie (“We noemden het ‘multicultureel’, maar het was vooral ‘multi-confusie’”), over belastingdeals (“We verkochten de schatkist aan de hoogste bieder, en die bood een Twix en een halfvolle fles spa rood”), en over duurzaamheid (“We zeiden ‘groen!’ maar bedoelden ‘ga maar vast fietsen, wij nemen de Tesla’”). Optimisme als Opdracht Na uren delibereren—en een pauze waarin de rechters even een livestream deden over de zaak—kwam het vonnis. De Babyboomers werden schuldig bevonden. “Jullie straf,” sprak de hoofdrechter, een Gen Z’er met een stem als een autotune-app, “is om te helpen bouwen aan een vierde macht: de Informatie Autoriteit. Geen leugens meer die rondzingen als vervelende muggen. Geen social media die ons verdeeld houden als slecht gedeelde WhatsApp-groepen. Enkel feiten, helder als een scherm zonder vingerafdrukken.” Het plan was even simpel als Dahliaans: een Europees orgaan dat desinformatie bestreed met dezelfde vastberadenheid
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 105 waarmee oma spinnen van het plafond slaat. “Was in de oren van de jeugd,” mompelde Sander, die zich Odysseus voor de geest haalde, begrijpend. “En ons vastbinden aan de mast van de waarheid.” Toen de rechtszaak sloot, zong iemand ergens een liedje over vooruitgang. De Babyboomers, nu gedwongen vrijwilligers bij een TikTok-campagne over belastinghervorming, glimlachten voor het eerst. “Misschien,” fluisterde Mien Kr., “is dit het begin van iets waar zelfs wij trots op kunnen zijn.” En ergens, tussen de algoritmen en de hoop, leek de democratie even te stralen—niet als een oud schilderij, maar als een meme die eindelijk begrepen wordt.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 106
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 107 Achter glas voor Jan H. de Roder Wiel Kusters Wat wil je van je levensdagen weten? Hoe lang ze duren? Hoe ze zijn geweest, die uren die de tijd deden vergeten? Het vele dat geen mens dan jij nog leest lijkt neergeslagen in een schijn van leven, een blijk van dood, hoe ongeschreven ook. Ach, til daar maar niet aan en blijf bestaan in wie je bij je weet, bedenkt, gedenkt. Want ook het licht, wanneer het valt door glas, verdwijnt en niet, komt altijd ergens nergens aan. Wiel Kusters
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 108
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 109 Naar een multi-species-gemeenschap: overdenkingen van een Maaswachter Frank Huisman, 25-28 augustus 2024
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 110 Zo. Ik ben weer thuis van een bijzonder verblijf aan de Maas in Borgharen. Ik hoorde van Maas Lab van een vriend die al eerder “met de Maas” was geweest: Joof Schöpping. Het project sprak me direct aan. Het gaat Maas Lab erom een nieuw wij te verkennen of—anders gezegd—om “een nieuw paradigma voor een multi-species-gemeenschap te ontwikkelen”. Vanuit mijn grote zorg over het klimaat in het Antropoceen besloot ik me aan te melden. Gelukkig was er nog plek. Tijdens de “meerstemmige bijeenkomst” in Echt en Linne ontving ik een brochure met daarin de voorlopige neerslag van het project. Hoewel niets verplicht is (deelnemers worden uitgenodigd “simpelweg tijd door te brengen met de Maas in een directe, wederzijdse zorgrelatie”), blijkt het verblijf aan de Maas veel mensen te inspireren tot het maken van tekeningen en het schrijven van gedichten, zoals: Meebewegen Ga aan de oever van de Maas staan. Doe je ogen dicht. Breng je aandacht naar je voeten. Adem in door je neus, uit door je mond. Doe dit gevoelsmatig drie minuten. Open je ogen en vind een entiteit die op het water drijft, uit het water steekt, in het water ligt. Concentreer je volledig op die entiteit. Beweeg mee met die entiteit. Het was duidelijk: Maaswachters worden uitgenodigd zich open te stellen en mee te bewegen, om zo tot nieuwe inzichten te komen. In de maanden voorafgaand aan mijn verblijf bouwde zich bij mij een missiegevoel op. Dit bijzondere project wil bijdragen aan
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 117
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 118
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 119
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 120
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 121
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 122 De eerste dag was gevuld met zoete indrukken. Weer thuisgekomen gaven de versieringen in mijn kamer— achtergelaten door Maaswachters die mij voorgingen—mijn stemming goed weer:
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 123
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 124 De tweede dag sloeg bij mij de bliksem in. Ik maakte opnieuw een wandeling en stuitte op een kaart van RivierPark Maasvallei. Toen ik de kaart goed bekeek, zag ik dat de meanderende Maas vanaf Borgharen werd geflankeerd—om niet te zeggen ingesloten—door twee kanalen: de Zuid-Willemsvaart en het Julianakanaal. Het leek me symbolisch. De aloude, maar grillige —en dus onbetrouwbare—Maas was uitgeroepen tot omheind reservaat. Het is er goed toeven voor vogels, vlinders, runderen, paarden, wandelaars en Maaswachters, maar het echte leven speelt zich elders af, op de kanalen. De Maas staat voor romantiek en gevoel, de kanalen voor rationaliteit en ondernemingszin. Ik realiseerde me dat de natuur geen park is, en zich daar ook niet toe laat reduceren. We zijn volledig verstrengeld met onze leefomgeving, die zich verder uitstrekt dan het omheinde land met zijn rivier. In die zin is RivierPark Maasvallei dan ook geen echte natuur, maar een reservaat, een museum—een laboratorium misschien zelfs. Zeer aangenaam om in te verkeren, maar niet meer dan dat. Deze gedachte liet me mijn gehele verblijf niet meer los. Mijn zorg om de klimaatcrisis was onveranderd. Maar was ‘met de Maas zijn’ zonder de verplichting daar iets mee te doen wel het antwoord? De kanalen waren gegraven ten behoeve van de scheepvaart, en kunnen worden beschouwd als de slagaders van onze economie. De schepen vervoeren producten van producenten naar consumenten, en voorzien daarmee in een grote—en onstilbare —behoefte.
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 125 De afgesloten Maas (en het begin van RivierPark Maasvallei):
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 126 De kanalen:
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 133 Wat is de uitweg uit de klimaatcrisis? Wat staat ons te doen, wie draagt er schuld, wie neemt het initiatief? Het zijn moeilijke vragen, die even moeilijk zijn te beantwoorden. In een minder ontwikkelde samenleving schept de vraag het aanbod, maar in onze dolgedraaide consumptiemaatschappij is het precies andersom. Een product dat er eenmaal is, wordt door iedereen gewenst; simpelweg omdat het er is. En volgend jaar komt er een nieuw type of model op de markt en wordt het oude weggegooid. Niemand wil achterblijven, iedereen wil meer en beter. In ons kapitalistische systeem blijken ‘behoefte’ en ‘schaarste’ zeer relatieve begrippen. Inmiddels hebben we in het Westen (of: de Global North) een punt bereikt waarop de behoeften van de mens de draagkracht van de aarde verre te boven gaan. Als alle aardbewoners het leven willen leiden zoals wij in het Westen dat doen, zijn er tien aardbollen nodig—of meer. We moeten daarom inbinden, en de tering naar de nering zetten. Maar hoe? Op dit punt schoot me het onderscheid te binnen tussen instrumentele en expressieve politiek, ofwel dat tussen een ‘mannelijke’ en een ‘vrouwelijke’ manier van politiek bedrijven. Terwijl het eerste doelgericht en rationeel is (en daardoor vaak succesvol), is het tweede empathisch en emotioneel (en gedoemd tot de periferie). Instrumentele politiek bedient zich van argumenten en is bereid tot het sluiten van compromissen; expressieve politiek zet—vanuit morele verontwaardiging—het sentiment in als wapen. In Nederland biedt de Partij voor de Dieren een goed voorbeeld van expressieve politiek; oprichtster Marianne Thieme liet zich er zelfs expliciet op voorstaan. Haar strijd voor dierenrechten beschouwde ze als de opvolger van de strijd tegen de slavernij en die voor vrouwenrechten. Expressieve politiek gaat het primair om agenderen en bewust
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 134 maken; (nog) niet zozeer om politieke besluitvorming. Als zodanig is het weliswaar sympathiek, maar tevens tot mislukken gedoemd. Dat was ook de tragiek van de Dakota indiaan Ohiyesa. Na de slachting in de Minnesota Indian War van 1862 zag hij zich gedwongen zijn cultuur af te leggen, zich tot het christendom te bekeren, een andere naam aan te nemen, ‘blank’ onderwijs te volgen en uiteindelijk arts te worden. In die hoedanigheid behandelde hij onder meer de gewonde indianen na de Battle of Wounded Knee in 1890. Dit alles deed hij uit noodzaak en realiteitszin, omdat hij inzag dat het ‘Kaukasische ras’ militair superieur was. In moreel opzicht achtte hij zijn eigen cultuur echter veel hoogstaander: The lust for money, power, and conquest so characteristic of the Anglo-Saxon race did not escape moral condemnation at the hands of his untutored judge…There is no such thing as “Christian civilization”…I lived the natural life, whereas I now live the artificial. Is dit het lot van Maas Lab en de wereld? Het RivierPark Maasvallei wordt door expressieve politici in gedichten bezongen, terwijl de haar omringende wereld door de economische logica van instrumentalisten te gronde wordt gericht…
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 135 Wat staat ons te doen? Hopen en bidden?
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 136 Of wachten op de Apocalyps? (coming back with a vengeance): Beide opties zijn even passief als fatalistisch, en geen van beide biedt een kansrijk handelingsperspectief. Daarom wil ik tot slot het boekje van Latour vermelden, juist omdat het een begin van een uitweg biedt. Latour maakt zich bezorgd om drie mondiale crises, die volgens hem nauw met elkaar zijn verbonden: deregulering/ neoliberalisme; explosief groeiende mondiale ongelijkheid; en klimaatverandering—alle zeer ernstige problemen met ontwrichtende, catastrofale effecten. Ernstiger is het echter dat er weinig of niets aan wordt gedaan. Een groot deel van de leidende klassen is tot de conclusie gekomen dat de aarde niet voldoende plek biedt aan henzelf én de rest van de mensheid. Ze weigeren op te draaien voor de kosten die een nieuw ‘paradigma van een multi-species-gemeenschap’ met zich mee zou brengen. Ze hebben daarom besloten hun eigen zaakjes veilig te stellen en de aandacht van het volk af te leiden. Latour
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 137 constateert dat het moderniseringsproject—ooit begonnen met de industriële revolutie en het imperialisme—voorbij is, maar dat de wereld weigert dat te accepteren. Achteraf bezien is de ‘vooruitgang’ een soort piramidespel gebleken, waarvan de laatsten die instapten (arbeiders, gekoloniseerde volken) de dupe zijn geworden. Latour: “het vertrouwen van het volk is niet enkel beschaamd, het is gewoon gedumpt langs de kant van de weg”. Terwijl het volk zijn toevlucht zoekt in zijn (vermeende) identiteit, trekken de superrijken zich terug in gated communities. Mensen als Donald Trump en Elon Musk zijn de belichaming van deze mentaliteit, die even cynisch als destructief is (‘na ons de Zondvloed’). Terwijl Trump de Verenigde Staten terugtrok uit het klimaatakkoord van Parijs, zoekt Musk zijn heil op Mars. Beiden verdoven het volk op social media met complottheorieën, die vooral dienen om de aandacht af te leiden van zichzelf en om de heersende onvrede naar elders te kanaliseren (immigranten, de woke-cultuur). Latour heeft veel begrip voor het ‘reactionaire’ volk, dat radeloos is en in opstand komt tegen de symbolen van globalisering en vervreemding: Wall Street, Brussel en Peking. Ondertussen geldt dat de aarde de klappen niet langer gewoon incasseert, maar steeds harder terugslaat. Orkanen, overstromingen, hittegolven en bosbranden getuigen daarvan. De oplossing is volgens Latour gelegen in mondiale transparantie en een articulatie van de belangen van álle aardbewoners. Hij wijst in dit verband op een indrukwekkend precedent: de Cahiers de doléances. In de late achttiende eeuw ging de Franse bevolking gebukt onder een absolutistisch regime van de koning, die tot overmaat van ramp ook nog eens nieuwe belastingen wilde invoeren. Het volk steigerde en was pas bereid te betalen nadat in hun grieven was voorzien. In de eerste
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 138 maanden van 1789—de maanden die voorafgingen aan de Franse Revolutie—werden alle klachten en verzoeken aan de koning geïnventariseerd. In die paar maanden bleek het volk— in beroering gebracht door de algehele crisis die het land in zijn greep had—in staat zich een rechtvaardiger samenleving voor te stellen. Dat was voor het eerst, en het had ingrijpende gevolgen. De crisis van onze tijd is niet nationaal maar mondiaal, en bovendien veel ernstiger. Er is sprake van “een complete desoriëntatie van alle levensplannen van de aardbewoners”, waarmee Latour niet slechts mensen bedoelt. Al het leven op aarde is op elkaar betrokken—en moet dus worden gehoord. De uitweg die Latour aanwijst is “de beschrijvingsarbeid voor alle bezielde wezens”. Om een nieuwe wereldorde mogelijk te maken, moet er eerst een wereld zijn die door die inventarisatie deelbaar is gemaakt. Anders gezegd: pas wanneer de behoeften en belangen van alle aardbewoners—in onderlinge relatie en strijd—in kaart zijn gebracht, wordt een betere wereld denkbaar. Maas Lab heeft een geweldig initiatief genomen, min of meer in lijn met het voorstel van Latour. De volgende stap zou wat mij betreft moeten zijn dat het project minder expressief en vrijblijvend wordt, en meer instrumenteel en dwingender. De urgentie van het klimaatprobleem is duidelijk; het is tijd voor actie!
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 139 Een herinnering aan een vaak gemaakte reis…. Vivian van Saaze …vanaf nu ligt de bestemming open. Lieve Jan, geniet van je nieuwe reizen! kus, Vivian
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 140
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 141 Jan in Maastricht Eric Bleize
Beroering door Verbeelding Liber Amicorum Voor Jan de Roder 142