Diversiteit in duurzaamheidsverslaggeving
Abstract
No Description
Full text
Diversiteit in duurzaamheidsverslaggeving Arjan Brouwer Received 27 October 2025 | Accepted 28 October 2025 | Published 4 December 2025 In Het jaar 2023 verslagen blikten we vooruit op het eerste jaar waarin de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) zou worden toegepast door de grootste beursgenoteerde ondernemingen in de Europese Unie (EU). Over het boekjaar 2024 was het dan zover en uiteraard zijn in deze 2024-editie van Het jaar verslagen meerdere artikelen opgenomen die inzicht geven in de toepassing van elementen van de CSRD c.q. de European Sustainability Reporting Standards (ESRS’en) in de eerste CSRD-rapportages. Inzicht waarvan het idee was dat het niet alleen nuttig zou zijn voor deze zogenoemde ‘wave 1’-groep, maar ook voor ondernemingen die hun eerste CSRD-rapportages over het boekjaar 2025 zouden gaan opstellen. In een paar maanden tijd zou er echter veel veranderen. Onder druk van verschillende partijen is de EU begin 2025 een project gestart om de CSRD-vereisten terug te schroeven. Enerzijds zullen minder ondernemingen onder de CSRD-vereisten vallen en anderzijds zullen de rapportageverplichtingen worden verminderd door de ESRS’en aan te passen. De uitkomsten van dat proces zullen bij het verschijnen van Het jaar 2024 verslagen waarschijnlijk duidelijk zijn. Om de uitkomsten van dit proces eerst af te kunnen wachten en te implementeren is voor alle ‘wave 2’-ondernemingen de zogenoemde ‘stop the clock’ van twee jaar van kracht geworden. Desalniettemin blijft goede informatieverschaffing over duurzaamheidsaspecten van belang voor zowel financiële als niet-financiële stakeholders, en is inzicht nuttig in de gebieden waar verbetering (niet per se toename) van deze informatie mogelijk is op basis van de lessen in het eerste jaar. Ook op het gebied van financiële verslaggeving, specifiek IFRS, zit er weer een belangrijke verandering aan te komen met een brede impact op ondernemingen die rapporteren op basis van IFRS. Vanaf het boekjaar 2027 is de nieuwe standaard IFRS 18 Presentation and Disclosure in Financial Statements van toepassing en veel ondernemingen bereiden zich hier reeds op voor. Eén van de nieuwe eisen waar ondernemingen aan moeten gaan voldoen is de opname in de jaarrekening van informatie over alternatieve winstmaatstaven (in IFRS 18 management-defined performance measures genoemd) die de onderneming buiten de jaarrekening rapporteert. Het onderzoek van Van Duuren en Ter Hoeven geeft in het kader daarvan een aantal interessante inzichten. Van Duuren en Ter Hoeven hebben onderzoek gedaan naar de rapportage van – en de informatieverschaffing over – alternatieve prestatiemaatstaven in de bestuursverslagen en Q4-persberichten van 125 grote Europese beursfondsen. Zij stellen vast dat nagenoeg alle ondernemingen alternatieve prestatiemaatstaven rapporteren op de eerste pagina van het persbericht en bestuursverslag. De auteurs hebben vervolgens de kwaliteit van de toelichting gemeten aan de hand van de eisen die de European Securities and Markets Authority (ESMA) hieraan stelt. De auteurs stellen vast dat de kwaliteit van de informatie over de maatstaven significant beter is in het bestuursverslag dan de kwaliteit van de informatie in het persbericht. Zij vinden dit een zorgelijke zaak, gezien het feit dat uit het onderzoek blijkt dat het persbericht in veel gevallen (veel) eerder wordt gepubliceerd dan de jaarrekening en het bestuursverslag en daarmee eerder de koersvorming op de kapitaalmarkten kan beïnvloeden. De auteurs stellen vast dat het vaak onduidelijk is of de cijfers in het persbericht gecontroleerd zijn door de accountant en menen dat hier ruimte is voor verbetering. Mogelijk neemt de onderzochte kwaliteit toe als IFRS 18 Presentation and Disclosure in Financial Statements (geldend vanaf het boekjaar 2027) zal worden toegepast. IFRS 18 vereist namelijk opname van informatie over alternatieve prestatiemaatstaven in de jaarrekening, waardoor de accountant deze informatie dient te controleren. Het eerste onderzoek over duurzaamheidsverslaggeving is het onderzoek van Brouwer, Meijn, Nandram en De Vries over de dubbele materialiteitsanalyse en informatieverschaffing hierover door Nederlandse beursfondsen. Het onderzoek laat veel diversiteit zien in de (hoeveelheid) geïdentificeerde materiële thema’s, waarbij sommige ondernemingen een beperkt aantal thema’s en andere ondernemingen juist heel veel thema’s hebben geïdentificeerd. Op basis van dit eerste jaar kunnen ondernemingen van elkaar leren en daardoor mogelijk meer Copyright Arjan Brouwer. This is an open access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (CC-BY-NC-ND 4.0), which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided the original author and source are credited. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5) (2025): 251–253 DOI 10.5117/mab.99.176243 Introduction to special issue
https://mab-online.nl Arjan Brouwer: Diversiteit in duurzaamheidsverslaggeving252 focus realiseren in hun duurzaamheidsverslagen. De auteurs concluderen dat ondernemingen over het algemeen transparant rapporteren over de aanpak en de belangrijkste uitkomsten. Wel kunnen veel ondernemingen de wijze waarop ze de waarschijnlijkheid, omvang en aard van de effecten van de geïdentificeerde risico’s en kansen beoordelen en de daarbij gehanteerde parameters concreter maken. Ook kan de connectiviteit tussen het CSRD-verslag en de jaarrekening worden verbeterd. In het kader van duurzaamheidsverslaggeving krijgt het aspect klimaat(verandering), en in het kader daarvan de uitstoot van broeikasgassen, vaak veel aandacht. Duurzaamheidsverslaggeving op grond van de CSRD is echter veel breder dan dat. Maas, Zandee en Janssen Groesbeek hebben onderzoek gedaan naar rapportage over circulariteit (ESRS E5 Circular Economy) door 75 Nederlandse beursfondsen. Iets meer dan de helft hiervan identificeert circulariteit als een materieel thema; met name grotere ondernemingen met een grotere afhankelijkheid van grondstoffen zoals bouwen productiebedrijven. De meerderheid (59%) van de ondernemingen die circulariteit aanmerken als materieel thema specificeert dit niet verder. Het aantal ondernemingen dat laat zien dat ze circulariteit doorvertaalt in haar strategie is nog beperkt. Ook wordt het onderwerp beperkt geadresseerd in de risicoparagraaf en de financiële impact wordt in de meeste gevallen niet toegelicht. De auteurs concluderen dat het belang van circulariteit wel wordt onderkend, maar dat nog veel nodig is om het echt te internaliseren en onderdeel te maken van bedrijfsmodellen, management accounting en interne beheersing om uiteindelijk de stap te maken van incrementele verbeteringen naar echte herziening van bedrijfsmodellen. Ter Hoeven, Van der Tas en Tristan Brouwer hebben onderzoek gedaan naar de informatieverschaffing over broeikasgasuitstoot en het pad naar ‘net-zero’ door de door Carbon Tracker geïdentificeerde grootste uitstoters in de Europese Unie en Zwitserland. De auteurs constateren dat de meeste (91%) ondernemingen een net-zero target (alsmede tussenliggende targets) hebben gedefinieerd, waarbij over het algemeen (57%) het doel voor 2050 wordt gesteld. Van de ondernemingen stelt echter 34% een ambitieuzer doel, variërend van 2038 tot 2045. Wat de beoordeling en vergelijking van reductietargets en progressie bemoeilijkt is de inconsistentie in scope (Scope 1-, 2-, en 3emissie) en reikwijdte (alle of een deel van de activiteiten van de ondernemingen) van de doelstellingen. Ook in het voor het meten van de voortgang van de realisatie van de doestellingen gehanteerde basisjaar zien de auteurs diversiteit, variërend van 2015 tot 2023. Toename in de consistentie en transparantie over doelen en realisatie zou de informatiewaarde ten goede komen. Daarnaast constateren de auteurs ook dat 31% van de onderzochte ondernemingen nog geen SBTi-validatie van hun net-zero plan heeft ondergaan en vinden ze het verontrustend dat extrapolatie van de gerealiseerde emissiereducties sinds het basisjaar naar 2050 laat zien dat er bij veel ondernemingen nog een tandje bij moet worden gezet om de net zero-doelstelling te halen. Ten slotte achten de auteurs een verdergaande integratie tussen de duurzaamheidsinformatie en financiële verslaggeving alsmede duidelijkheid over de verwerking van emissierechten in de jaarrekening wenselijk. Consistente informatieverschaffing wordt zeker beoogd met de EU Taxonomy. Op basis van de EU Taxonomy moeten ondernemingen een gestructureerd proces en voorgeschreven definities volgen om te bepalen welk deel van hun omzet, kosten en investeringen aangemerkt wordt als ‘duurzaam’ (aligned). Rapportage hierover dient vervolgens plaats te vinden via voorgeschreven tabellen (‘templates’). Boonen, Camfferman, Van Dijk en Stanton hebben de EU Taxonomy-rapportage van 62 EU-beursfondsen onderzocht. Zij constateren dat de beoogde consistentie nog niet wordt gerealiseerd en dat er belangrijke verschillen waarneembaar zijn tussen ondernemingen. Dit betreft bijvoorbeeld de identificatie van eligible activiteiten alsmede de toelichting bij de tabellen, die varieert van een tot tien pagina’s. Ze plaatsen niet alleen vraagtekens bij de vergelijkbaarheid van de informatie, maar ook bij de bruikbaarheid ervan. Deze wordt onder andere beperkt doordat de taxonomy op zichzelf niet volledig is en daardoor een groot deel van de activiteiten niet eligible is en dus ook niet wordt beoordeeld op alignment. De auteurs zien ruimte voor verbetering en ondersteunen op basis van hun bevindingen de aanpassingen, waaronder het hanteren van materialiteit, die door de Europese Commissie in juli 2025 zijn aangenomen. Voor de Rijksoverheid gelden geen algemeen geldende vereisten voor duurzaamheidsverslaggeving. De Nederlandse overheid heeft echter vanuit haar rol en verantwoordelijkheid wel een grote impact op diverse duurzaamheidsthema’s, zowel via de uitvoering van haar primaire activiteiten als via de invloed van haar beleidsmatige keuzes. Orij, Vogelsang en Erkens hebben onderzoek gedaan naar de rapportage door de Rijksoverheid over de in de ESRS’en geïdentificeerde duurzaamheidsthema’s. Deze informatie komt versnipperd terug in een grote diversiteit aan overheidsrapportages en van de door de Rekenkamer gewenste geïntegreerde verslaggeving komt nog niet veel terecht. De diepgang en reikwijdte van de rapportages over specifieke onderwerpen zijn sterk verbonden aan de beleidsvelden van ministeries. De auteurs constateren dat in 2024 de ESRS-thema’s in sterkere mate terugkomen in de rapportages dan in 2023 en dat de veranderde politieke context weinig impact gehad lijkt te hebben op de rapportages over 2024. Het onderwerp diversiteit komt terug in de ESRS’en, maar is, zoals uit de hiervoor besproken onderzoeken blijkt, ook een belangrijk thema als het gaat om de duurzaamheidsverslaggeving zelf. Die diversiteit is enerzijds het gevolg van het feit dat de ESRS’en starten met een materialiteitsanalyse en er per onderneming andere onderwerpen van belang zijn, en anderzijds doordat het in 2024 ging om het eerste jaar waarin ondernemingen rapporteerden op basis van de ESRS’en. In dat eerste jaar was voor
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 251–253 https://mab-online.nl 253 sommige ondernemingen het realiseren van het verslag op zich al een grote uitdaging en hadden ze beperkt referentiemateriaal. Ondernemingen kunnen lessen trekken uit het proces dat ze in het eerste jaar hebben doorlopen, alsmede uit de verslagen die andere ondernemingen hebben gepubliceerd om vanuit het eerste verslag te verbeteren en de vergelijkbaarheid te vergroten. Sommige ondernemingen zullen dan tot de conclusie komen dat hun verslag op aspecten (te) beperkt is in vergelijking met andere ondernemingen, terwijl andere ondernemingen zullen concluderen dat hun verslag te uitgebreid is waardoor gebruikers moeilijk de essentie eruit kunnen halen. Dat is een logisch proces en we hopen dat de onderzoeken in deze editie bijdragen aan het vinden van een juiste balans en bredere toepassing van goede voorbeelden. Ik dank de auteurs en de leden van de redactie en de redactieraad voor hun inspanningen bij de totstandkoming van deze editie van Het jaar verslagen en de bijdrage die ze daarmee leveren aan de kwaliteit van de verslaggeving in Nederland. Prof. dr. A.J Brouwer RA – Arjan is hoogleraar externe verslaggeving aan de Vrije Universiteit Amsterdam en partner bij PwC.