Full text
Informatieverschaffing over de dubbele materialiteitsanalyse door beursgenoteerde ondernemingen in Nederland Arjan Brouwer, Deborah Meijn, Kavita Nandram, Katerina de Vries Received 2 September 2025 | Accepted 9 October 2025 | Published 4 December 2025 Samenvatting In dit artikel wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de rapportage over de dubbele materialiteitsanalyse door de eerste groep (grote) in Nederland beursgenoteerde ondernemingen die heeft gerapporteerd op basis van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Het onderzoek laat diversiteit zien in de gehanteerde aanpak, maar over het algemeen transparante informatieverschaffing over de aanpak en de belangrijkste uitkomsten. Verbetering is mogelijk in het concreet maken van de wijze waarop ondernemingen de waarschijnlijkheid, omvang en aard van de effecten van de geïdentificeerde risico’s en kansen beoordelen en de gehanteerde parameters. Daarnaast kan de connectiviteit tussen het CSRD-verslag en de jaarrekening worden verbeterd door concreter in te gaan op de financiële effecten van duurzaamheidskwesties. Relevantie voor de praktijk De dubbele materialiteitsanalyse is een belangrijk startpunt voor de duurzaamheidverslaggeving op grond van de CSRD en is een relatief nieuw en complex concept. Dit onderzoek kan ondernemingen, accountants en toezichthouders praktijkinzichten geven in de wijze waarop de dubbele materialiteitsanalyse door de eerste groep CSRD rapporterende ondernemingen is opgepakt en toegelicht in de jaarverslagen 2024. Daarnaast kan dit onderzoek inzicht geven aan beleidsmakers die verdere uitwerking en simplificatie van de regelgeving overwegen. Trefwoorden CSRD, ESRS, duurzaamheidsverslaggeving, dubbele materialiteit 1. Inleiding Vanaf boekjaar 2024 zijn grote beursgenoteerde ondernemingen verplicht te rapporteren volgens de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) (EU 2022) en de bijbehorende European Sustainability Reporting Standards (ESRS) (EFRAG 2023). Op basis hiervan hebben deze ondernemingen uitgebreid gerapporteerd over duurzaamheidskwesties. Een kernonderdeel van de ESRS is de dubbele materialiteitsanalyse. Deze vormt een belangrijk startpunt voor de duurzaamheidsrapportage, omdat deze bepaalt over welke onderwerpen de onderneming in het duurzaamheidsverslag rapporteert. Bij het uitvoeren van de dubbele materialiteitsanalyse richten ondernemingen zich enerzijds op financieel materiële duurzaamheidskwesties (impact op de onderneming) en anderzijds op impactmateriële kwesties (impact van de onderneming op mens en milieu). Gezien het belang moeten ondernemingen de dubbele materialiteitsanalyse niet alleen uitvoeren, maar hier ook transparant over rapporteren zodat stakeholders een goed begrip kunnen krijgen van de materiële onderwerpen en hoe de onderneming deze heeft bepaald. De praktijk laat zien dat ondernemingen uiteenlopende benaderingen hanteren voor het uitvoeren en onderbouwen Copyright Arjan Brouwer et al. This is an open access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (CC-BY-NC-ND 4.0), which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided the original author and source are credited. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5) (2025): 269–280 DOI 10.5117/mab.99.170861 Research Article
https://mab-online.nl Arjan Brouwer et al.: Informatieverschaffing over de dubbele materialiteitsanalyse270 van de dubbele materialiteitsanalyse, en dat er onzekerheid bestaat over de juiste toepassing van de regelgeving. Tegelijkertijd is betrouwbare en transparante informatie over materiële duurzaamheidskwesties cruciaal voor gebruikers van duurzaamheidsverslagen (zoals beleggers, toezichthouders en stakeholders) en voor accountants die assurance moeten verlenen over de verslaggeving. Door te onderzoeken hoe Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen over boekjaar 2024 rapporteren over de dubbele materialiteitsanalyse, kan dit onderzoek bijdragen aan het bevorderen van transparantie en vergelijkbaarheid van verslaggeving, het bieden van praktische handvatten voor ondernemingen bij het toepassen van de ESRS en het ondersteunen van accountants en toezichthouders bij de interpretatie en beoordeling van duurzaamheidsverslagen. In dit artikel wordt daarom besproken hoe Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen over boekjaar 2024 rapporteren over de uitvoering en uitkomsten van hun dubbele materialiteitsanalyse in het kader van de CSRD en ESRS, en in hoeverre deze informatie voldoet aan de transparantievereisten van de ESRS-richtlijnen. In de volgende paragraaf zal aan de hand van de huidige ontwikkelingen omtrent de CSRD in de praktijk, voorgaande literatuur en standaarden op het gebied van (dubbele) materialiteitsanalyses in duurzaamheidsverslaggeving onderzocht worden welke informatie ondernemingen tot nu verstrekken over de methodologie en het proces van de (dubbele) materialiteitsanalyse. In paragraaf 3 is de onderzoekspopulatie en methodologie opgenomen. Daarna worden de resultaten van het empirisch onderzoek gepresenteerd. Het artikel wordt afgesloten met een conclusie en slotbeschouwing. 2. Literatuuronderzoek 2.1. Van materialiteit naar dubbele materialiteit In de afgelopen jaren zijn er vele definities van materialiteit gebruikt in verschillende verslaggevingsstandaarden (Garst et al. 2022). Een materialiteitsanalyse speelt een essentiële rol in het identificeren en prioriteren van de milieu-, sociale en governance- (ESG) gerelateerde onderwerpen die zowel een maatschappelijke impact hebben als relevant zijn voor de strategische en financiële belangen van ondernemingen. Aan de hand van de materialiteitsanalyse wordt onder andere vastgesteld over welke ESG-onderwerpen een onderneming volgens haar stakeholders moet rapporteren in het jaarverslag. In eerdere literatuur door Garst et al. (2022) wordt benoemd dat het gebrek aan een uniforme definitie van materialiteit ruimte geeft voor interpretatie en invloed van het management van een onderneming in het vaststellen van de materiële onderwerpen (Lyon and Maxwell 2011). Zij benadrukken dat de materialiteitsanalyse geen exact wetenschappelijk proces is, maar eerder een subjectief proces waarbij managementoordeel, stakeholderperspectieven en zowel kwantitatieve als kwalitatieve factoren een rol spelen. De International Accounting Standards Board (IASB) (2018) hanteert de volgende definitie voor materialiteit vanuit een financieel perspectief (par. 2.11): “Informatie is materieel indien van het weglaten, onjuist weergeven of verbergen ervan redelijkerwijs verwacht kan worden dat dit van invloed is op beslissingen die de primaire gebruikers van algemene financiële verslagen nemen op basis van die verslagen, die financiële informatie over een specifieke rapporterende entiteit verschaffen. Met andere woorden: materialiteit is een entiteitsspecifiek aspect van relevantie op basis van de aard en/of omvang van de items waarop de informatie betrekking heeft in de context van het financieel verslag van een individuele entiteit.” Op basis hiervan zouden bedrijven dus de factoren benadrukken die een financiële impact kunnen hebben en geven ze prioriteit aan financieel-strategische risico’s en kansen die al dan niet voortkomen uit ESG-kwesties. De meeste ondernemingen die in de afgelopen jaren een materialiteitsanalyse hebben uitgevoerd en daarover hebben gerapporteerd in het duurzaamheidsverslag of jaarverslag, hebben daarbij gebruik gemaakt van de Standaarden van het Global Reporting Initiative (GRI). In ‘GRI 3: Materiële onderwerpen 2021’ is de materialiteitsanalyse uitgewerkt. Deze GRI-standaard helpt ondernemingen bij het identificeren en rapporteren van materiële onderwerpen. De focus ligt op die onderwerpen die het meest relevant zijn voor de impact van organisaties op economie, milieu en samenleving, en voor de belangen van stakeholders. Bij deze ‘enkele’ materialiteitsanalyse gaat het dus met name om de impactmaterialiteit. Het proces voor het vaststellen van de materiële onderwerpen op basis van GRI bestaat uit de volgende vier stappen: • Begrip krijgen van de entiteit en de context waarin de entiteit opereert. • Identificeren van werkelijke en potentiële impact. • De significantie van deze impact beoordelen. • Prioriteren van de meest significante impacts voor verslaggeving. De materiële onderwerpen en impacts die via dit proces zijn vastgesteld, vormen input voor financiële rapportage en rapportage over waardecreatie. Ze leveren essentiële informatie voor het identificeren van financiële risico’s en kansen die verband houden met de impacts van de organisatie, en voor financiële waardecreatie. Dit helpt vervolgens ook bij het beoordelen van financiële materialiteit, bijvoorbeeld over wat moet worden opgenomen in de financiële verslaggeving (GRI 2021). Delgado-Ceballos et al. (2023) hebben de koppeling tussen maatschappelijke duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) en duurzaamheidsen ESG-factoren op bedrijfsniveau onderzocht, met nadruk op zowel financiële als impactmaterialiteit. Uit hun onderzoek blijkt dat ESG-indicatoren doorgaans financieel geïnterpreteerd worden, maar de auteurs pleiten voor een breder kader dat ook maatschappelijke impact omvat. In de afgelopen jaren was er ook een groeiende bezorgdheid over de externe gevolgen die bedrij-
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 269–280 https://mab-online.nl 271 ven hebben op de samenleving en het milieu, wat geleid heeft tot een grotere nadruk op het rapporteren van deze effecten en het adresseren van materialiteit vanuit het perspectief van andere belanghebbenden (Christensen et al. 2021). 2.2. Dubbele materialiteit In dit artikel ligt de focus op de dubbele materialiteitsanalyse. Het concept van dubbele materialiteit is vastgelegd in de Europese regelgeving, de CSRD (EU 2022) en de ESRS (EFRAG 2023), specifiek ESRS 1 – General Requirements. Deze standaarden vereisen dat ondernemingen niet alleen de financiële impact van duurzaamheidskwesties op de onderneming rapporteren, maar ook de impact van de onderneming op de maatschappij en het milieu. Daarnaast heeft EFRAG een ‘Implementation Guidance Materiality Assessment’-document gepubliceerd in mei 2024, waarin er guidance is opgenomen over het uitvoeren van een dubbele materialiteitsanalyse. In ESRS 1 – General Requirements (EFRAG 2023) zijn in hoofdstuk 3 de vereisten opgenomen ten aanzien van de dubbele materialiteitsanalyse. De dubbele materialiteitsanalyse geeft de onderneming inzicht in de materiële impacts, risico’s en kansen. Baumüller and Sopp (2021) wijzen er in hun onderzoek op dat dubbele materialiteit leidt tot meer transparante informatieverschaffing en van belang is voor het waarborgen van de economische, ecologische en sociale prestaties van een onderneming. Door van ondernemingen te eisen dat zij materiële duurzaamheidskwesties (over verschillende tijdshorizons) identificeren en beoordelen, helpt dubbele materialiteit om duurzaamheidsoverwegingen in de besluitvorming te integreren en de transparantie te versterken. Door middel van duurzaamheidsrapportage, geeft de onderneming enerzijds inzicht in de manier waarop de onderneming geraakt wordt door de ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid. Denk hierbij aan de invloed van klimaatverandering op het bedrijfsmodel. Dit noemen we financiële materialiteit (SER 2025). Anderzijds rapporteert de onderneming over de invloed die zij heeft op haar omgeving. Denk bijvoorbeeld aan het effect van uitstoot van productieprocessen op de luchtkwaliteit van omwonenden, de impactmaterialiteit (SER 2025). De financiële en impactmaterialiteit vormen samen de ‘dubbele materialiteit’. Een belangrijk aspect van de ESRS (EFRAG 2023) is dat het ondernemingen verplicht om een uitgebreide en transparante methodologie te hanteren bij de uitvoering van hun dubbele materialiteitsanalyse (EFRAG 2024). De regelgeving benadrukt de noodzaak van het betrekken van diverse stakeholders bij dit proces, zoals vermogensverschaffers, werknemers, klanten, leveranciers en lokale gemeenschappen. De ESRS (EFRAG 2023) vereisen ook dat ondernemingen periodiek hun materialiteitsanalyse herzien en actualiseren om ervoor te zorgen dat zij blijven voldoen aan de veranderende verwachtingen van stakeholders en nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid. Dit zorgt ervoor dat duurzaamheidsverslagen niet alleen een momentopname zijn, maar een dynamisch en actueel beeld geven van de duurzaamheidsinspanningen en prestaties van de onderneming. Daarnaast zijn er richtlijnen opgesteld voor de documentatie en rapportage van deze analyses. ESRS 2 – General Disclosures vereist onder andere toelichting over de strategie en het businessmodel, belangen en visies van stakeholders, materiële impacts, risico’s en kansen en het proces van de materialiteitsanalyse. Ondernemingen moeten duidelijk maken welke methoden zij hebben gebruikt om materiële kwesties te identificeren, welke criteria zij hebben gehanteerd en hoe zij tot hun conclusies zijn gekomen. Dit alles moet worden onderbouwd met kwantitatieve en kwalitatieve gegevens en, waar mogelijk, met onafhankelijke bronnen. In het vervolg van dit artikel rapporteren we de resultaten van ons onderzoek naar de rapportage over de dubbele materialiteitsanalyse in de over het boekjaar 2024 op grond van de ESRS’en opgestelde duurzaamheidsverslagen van beursgenoteerde ondernemingen in Nederland. 3. De onderzoekspopulatie De totale populatie bestaat uit 50 aan de Amsterdam Exchange Index (AEX) en Amsterdam Midkap Index (AMX) genoteerde ondernemingen die over het boekjaar 2024 hebben gerapporteerd op basis van de CSRD en de ESRSs. Negen van deze ondernemingen hebben wij niet meegenomen in de onderzoekspopulatie, omdat deze ondernemingen in de financiële sector vallen en minder goed vergelijkbaar zijn met de andere ondernemingen. Eén onderneming hebben wij niet meegenomen omdat het jaarverslag 2024 geen duurzaamheidsinformatie conform de CSRD bevat en voor twee ondernemingen was het 2024-rapport nog niet gepubliceerd op het moment van uitvoeren van ons onderzoek. Dit brengt de totale onderzoekspopulatie op 38 duurzaamheidsverslagen. Verwezen wordt naar Bijlage 1 voor een overzicht van de onderzochte jaarverslagen. Zoals uit Tabel 1 blijkt hebben de onderzochte ondernemingen1 in totaal een marktwaarde van bijna € 1.000 miljard, activa van in totaal € 927 miljard en een omzet Tabel 1. Kenmerken van de onderzoekspopulatie. AEX AMX Totaal Totaal Gemiddeld Mediaan Totaal Gemiddeld Mediaan Totaal Gemiddeld Mediaan Totaal populatie 16 22 38 Omzet (EUR miljoen) 603.735 37.733 12.317 98.206 4.464 1.994 701.941 18.472 4.861 Totaal activa (EUR miljoen) 774.993 48.473 16.227 169.957 7.725 4.183 944.950 24.867 7.817 Marktkapitalisaties (EUR miljoen) 926.853 57.928 28.215 69.813 3.173 2.505 996.666 26.228 5.409
https://mab-online.nl Arjan Brouwer et al.: Informatieverschaffing over de dubbele materialiteitsanalyse272 van € 701 miljard. Met hun activiteiten hebben deze ondernemingen derhalve een grote maatschappelijke impact. 4. Resultaten empirisch onderzoek 4.1. Stakeholderanalyse Interactie met stakeholders is een belangrijk onderdeel van de dubbele materialiteitsanalyse (ESRS 1.24). Om een goede materialiteitsanalyse uit te kunnen voeren, moet de onderneming derhalve allereerst de relevante stakeholders identificeren. Stakeholders zijn degenen die invloed kunnen hebben op – of ondervinden van – de onderneming (ESRS 1.22). ESRS 1 onderkent twee hoofdgroepen stakeholders: • getroffen stakeholders: personen of groepen waarvan de belangen – positief of negatief – worden beïnvloed of kunnen worden beïnvloed door de activiteiten van de onderneming en haar directe en indirecte zakelijke relaties in haar waardeketen; en • gebruikers van het duurzaamheidsverslag, waaronder bijvoorbeeld investeerders, maar ook NGO’s en overheden. ESRS 2 verlangt van de onderneming dat zij toelicht op welke wijze in de strategie en het bedrijfsmodel van de onderneming rekening wordt gehouden met de belangen en standpunten van haar stakeholders. Op grond van ESRS 2.45(a)i vermeldt de onderneming ook haar belangrijkste stakeholders. Uit Tabel 2 blijkt dat de meeste ondernemingen (79%) tussen de 5 en 9 stakeholders hebben geïdentificeerd met zowel een mediaan als een gemiddelde van 7. Slechts 8% identificeert minder dan 5 stakeholders en 13% identificeert tien of meer stakeholders. Hierbij zijn ook geen opvallende verschillen waarneembaar tussen de grotere AEX-fondsen en de kleinere AMX-fondsen. Alle onderzochte ondernemingen hebben werknemers en klanten geïdentificeerd als stakeholder en nagenoeg alle ondernemingen identificeren ook leveranciers en aandeelhouders als stakeholders. Andere stakeholders zoals de overheid (20), NGO’s (16) en de natuur (8) worden in minder gevallen aangemerkt als stakeholder bij de onderneming. Op grond van ESRS 2.45(a) dient een onderneming toe te lichten of engagement plaatsvindt met de stakeholders en, zo ja, met welke groepen stakeholders. Ook wordt toegelicht op welke wijze dit is georganiseerd. ESRS 2.53 vraagt voorts om inzicht te geven in het proces voor het identificeren, beoordelen, prioriteren en monitoren van de potentiële en feitelijke effecten van de onderneming op mens en milieu, en daarbij ook te vermelden óf en hoe consultatie met stakeholders en externe experts onderdeel is van dat proces. Het proces van stakeholderconsultatie is niet in detail voorgeschreven. Zoals uit Tabel 3 blijkt, hebben de meeste (53%) ondernemingen ervoor gekozen om eerst zelf een lijst met relevante duurzaamheidsonderwerpen op te stelTabel 2. Geïdentificeerde stakeholders. AEX AMX Totaal (n = 16) (n = 22) (n = 38) n % n % n % Aantal geïdentificeerde stakeholders 0–4 213% 15% 38% 5–9 12 75% 18 82% 30 79% 10–15 213% 314% 513% 15 of meer 00% 00% 00% Gemiddeld 787 Mediaan 787 Aard stakeholders Werknemers 16 18% 22 17% 38 17% Klanten 16 18% 22 17% 38 17% Leveranciers 16 18% 21 16% 37 17% Aandeelhouders/investeerders 15 17% 21 16% 36 16% Financiers/banken 00% 13 10% 13 6% Overheid 10 11% 10 8% 20 9% NGO’s 89% 86% 16 7% De natuur (stille stakeholders) 44% 43% 84% Experts binnen de onderneming 33% 32% 63% Overig 22% 97% 11 5% 100% 100% 100% N.B.: door afrondingverschillen tellen de percentages niet op tot exact 100%. Tabel 3. Stakeholderconsultatieproces. AEX AMX Totaal (n = 16) (n = 22) (n = 38) n % n % n % Hoe en wanneer stakeholders betrokken De onderneming heeft eerst intern een lijst met duurzaamheidsonderwerpen opgesteld en heeft daarna stakeholders betrokken. 10 63% 13 59% 23 61% De onderneming heeft eerst de belangrijkste stakeholders geïdentifceerd in lijn met stap A van de EFRAG implementation guidance. 319% 418% 7 18% De onderneming heeft als startpunt de reeds bestaande inzichten van de materialiteitsanalyse op grond van het GRIof andere raamwerk genomen en dit vervolgens afgestemd met stakeholders via het reeds bestaande stakeholder engagement process. 213% 314% 513% Overig of onduidelijk 16% 29% 38% Op welke wijze stakeholders betrokken Surveys, interviews en interne en externe focusgroepen 319% 941% 12 32% Surveys, interviews en externe focusgroepen 00% 29% 25% Surveys, interviews en interne focusgroepen 16% 15% 25% Surveys en interviews 319% 29% 513% Alleen surveys 213% 15% 38% Alleen interviews 16% 29% 38% Surveys en interne focusgroepen 213% 00% 25% Interne en externe focusgroepen 16% 00% 13% Overig 319% 523% 821%
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 269–280 https://mab-online.nl 273 len en op basis daarvan stakeholders te betrekken. Er zijn vervolgens verschillende manieren denkbaar om de stakeholders te betrekken en hun input te verkrijgen ten behoeve van de materialiteitsanalyse. Ondernemingen gebruiken in de praktijk surveys, interviews, interne of externe focusgroepen en vaak een combinatie van twee of meer van die methodes. Van de onderzochte ondernemingen gebruikt 32% alle vier de methoden, terwijl nog eens 10% surveys en interviews aanvult met hetzij interne hetzij externe focusgroepen. Elf ondernemingen (29%) maken geen gebruik van focusgroepen en gebruiken alleen surveys (8%), interviews (8%) of beide (13%). In de categorie ‘Overig’ zijn ondernemingen begrepen die gebruikmaken van bijvoorbeeld expertmeetings, reputatieonderzoek, een dialoog met wetenschappelijke instituten of sectorplatforms. Allfunds geeft in haar CSRD-verslag op de pagina’s 34–40 een mooi toegankelijk inzicht in de door haar geidentificeerde stakeholders, de belangrijkste belangen van die stakeholders en het engagement dat met stakeholders heeft plaatsgevonden. In Figuur 1 is een deel hiervan als illustratie opgenomen. Arcadis geeft in een overzicht op één pagina een goed overzicht van de verschillende vormen van stakeholder engagement. Dit voorbeeld is in Figuur 2 opgenomen. 3.2. Identificatie van impacts, risico’s en kansen ESRS 2.51 vraagt van de onderneming om inzicht te geven in het proces dat is doorlopen om de impacts, risico’s en kansen (IRO’s) in kaart te brengen en te beoordelen welke van materieel belang zijn. Hierbij beschrijft ze de methodologieën en veronderstellingen die in het proces zijn toegepast (ESRS 2.53a). Uit Tabel 4 blijkt dat alle onderzochte ondernemingen een toelichting hebben opgenomen waarin ze het proces om de IRO’s in kaart te brengen beschrijven en dat op één na alle ondernemingen ook hebben toegelicht hoe ze de materialiteit van items hebben bepaald. De methodologieën en veronderstellingen Figuur 1. Best practice toelichting van geïdentificeerde stakeholders, belangen en engagement. Allfunds Sustainability Report 2024, pagina 34–35.
https://mab-online.nl Arjan Brouwer et al.: Informatieverschaffing over de dubbele materialiteitsanalyse274 zijn toegelicht door 74% van de ondernemingen en gedeeltelijk toegelicht (toelichting opgenomen, maar niet alle aspecten geraakt) door 21% van de ondernemingen. ESRS 1.45 en ESRS 1.46 leggen uit dat bij het bepalen van de materialiteit van impacts moet worden gekeken naar de ernst (severity) van de impact en dat bij potentiële impacts ook de waarschijnlijkheid moet worden meegenomen. De ernst wordt bepaald door: (a) de omvang (scale); (b) de reikwijdte (scope); en (c) het onherstelbare karakter. Voor positieve impacts zijn alleen de omvang en reikwijdte van belang, alsmede de waarschijnlijkheid bij potentiële positieve impacts. ESRS 2.53(b)iv verlangt van ondernemingen dat ze toelichten óf en hoe deze criteria zijn meegenomen in het proces van identificatie en prioritering van materiële impacts. Van de onderzochte ondernemingen heeft 84% een duidelijke toelichting opgenomen voor de negatieve impacts en 82% heeft dat gedaan voor de positieve impacts. ESRS 1 schrijft geen specifieke methodiek voor om de impacts kwalitatief of kwantitatief te scoren op de genoemde aspecten om zo te bepalen welke impacts als materieel worden aangemerkt en stelt ook geen grenzen voor het afbakenen van materiële en niet-materiële impacts. Wel verlangt ESRS 1 dat de onderneming deze thresholds bepaalt en toepast. ESRS 2.53(b)iv vraagt vervolgens om toelichting van de gehanteerde kwalitatieve of kwantitatieve grenzen die zijn gebruikt in het proces. Nagenoeg alle ondernemingen (95%) lichten dit toe. RELX geeft goed inzicht in de scoringsmethodiek die is gebruikt, zie Figuur 3. Naast de impactmaterialiteit moet de onderneming ook de financiële materialiteitsanalyse uitvoeren. ESRS 1.49 legt uit dat een duurzaamheidskwestie materieel is vanuit financieel perspectief als deze risico’s of kansen genereert Figuur 2. Best practice toelichting van stakeholder engagement. Arcadis Integrated Annual Report 2024, pagina 75. Figuur 3. Best practice toelichting van de gehanteerde scoringsmethodiek. RELX Annual Report 2024, pagina 214.
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 269–280 https://mab-online.nl 275 die een materiële invloed (kunnen) hebben op de ontwikkeling, financiële positie, financiële prestaties, kasstromen, toegang tot financiering of kapitaalkosten van de onderneming op de korte, middellange of lange termijn. Onderdeel hiervan is de afhankelijkheid van natuurlijke, menselijke en sociale hulpbronnen en de mate waarin duurzaamheidskwesties de toegang hiertoe, de kwaliteit en de prijs beïnvloeden. Daarnaast kunnen duurzaamheidskwesties invloed hebben op de mate waarin de onderneming kan blijven vertrouwen op relaties die ze nodig heeft in haar businessprocessen tegen acceptabele voorwaarden. ESRS 2.53c geeft aan dat de onderneming een overzicht moet geven van het proces dat is gevolgd om risico’s en kansen die financiële gevolgen hebben of kunnen hebben te identificeren, beoordelen, prioriteren en monitoren. Van de onderzochte ondernemingen licht 76% dit proces en alle aspecten toe; 18% licht een aantal, maar niet alle, aspecten toe. Ongeveer de helft van de ondernemingen (47%) licht daarbij ook toe hoe rekening is gehouden met de verbanden tussen de impacts en afhankelijkheden en de risico’s en kansen die hieruit kunnen voortvloeien. Ook geeft de helft van de ondernemingen inzicht in de wijze waarop ze waarschijnlijkheid, omvang en aard van de effecten van de geïdentificeerde risico’s en kansen beoordeelt en nog eens 16% geeft inzicht in een deel van deze aspecten. Een kleine minderheid van de ondernemingen licht toe hoe de onderneming duurzaamheidsrisico’s prioriteert ten opzichte van andere risico’s (23%) en welke inputparameters ze gebruikt bij de financiële materialiteitsanalyse (32%). De helft van de ondernemingen presenteert de materiele thema’s in een tabel en ongeveer een kwart gebruikt een materialiteitsmatrix (zie Tabel 5). Nog eens 13% van de ondernemingen heeft zowel een tabel als een matrix opgenomen. Vijf ondernemingen gebruiken andere presentatievormen, waarbij twee ondernemingen de materiele thema’s alleen beschrijven en geen tabel of grafische vorm gebruiken. In Figuur 4 is een voorbeeld van een materialiteitsmatrix opgenomen dat wij beschouwen als een best practice, aangezien het op een toegankelijke manier de (materiële) thema’s in één oogopslag inzichtelijk maakt. In Tabel 6 wordt informatie gepresenteerd over de uitkomsten van de materialiteitsanalyses. In totaal hebben de onderzochte ondernemingen 465 materiële thema’s geïdentificeerd, een gemiddelde van 12 materiële thema’s per onderneming. Het gemiddeld aantal materiële thema’s is vergelijkbaar voor AEX-fondsen (12,7) en AMX-fondsen (11,9). Het gemiddeld aantal materiële thema’s is het hoogst voor sociale thema’s (zes) met voor environmental thema’s een niet veel lager gemiddelde (vijf). Het gemiddeld aantal materiële thema’s op het gebied van governance ligt met twee wel beduidend lager. De aantallen geïdentificeerde materiële thema’s lopen fors uiteen, op het gebied van Environmental van 1 tot 17, Social van Tabel 4. Toelichting van het identificatieproces van impacts, risico’s en kansen. AEX AMX Totaal (n = 16) (n = 22) (n = 38) n % n % n % Toelichting proces om IRO’s te identificeren (ESRS 2.51) 16 100% 22 100% 38 100% Toelichting proces om te beoordelen welke IRO’s materieel zijn (ESRS 2.51) 16 100% 21 95% 37 97% Toelichting methodologieën en veronderstellingen (ESRS 2.53a) Ja 7 44% 21 95% 28 74% Nee 16% 15% 25% Gedeeltelijk 850% 00% 821% Toelichting prioritering negatieve impacts opgenomen (ESRS 2.53b iv) Ja 14 88% 18 82% 32 84% Nee 213% 418% 616% Toelichting prioritering positieve impacts opgenomen (ESRS 2.53b iv) Ja 13 81% 18 82% 31 82% Nee 319% 418% 7 18% Toelichting hoe materiële impacts zijn geïdentificeerd, inclusief kwalitatieve of kwantitatieve grenzen (ESRS 2.53b iv) Ja 15 94% 21 95% 36 95% Nee 16% 15% 25% Toelichting proces om risico’s en kansen die financiële gevolgen hebben of kunnen hebben te identificeren, beoordelen, prioriteren en monitoren (ESRS 2.53c) Ja, alle aspecten toegelicht 12 75% 17 77% 29 76% Ja, een deel van de aspecten toegelicht 319% 418% 7 18% Nee 16% 15% 25% Toelichting hoe de onderneming rekening heeft gehouden met de verbanden tussen haar impacts en afhankelijkheden en de risico’s en kansen die hieruit kunnen voortvloeien (ESRS 2.53c) Ja 10 63% 836% 18 47% Nee 425% 836% 12 32% Gedeeltelijk 213% 627% 821% Toelichting hoe de onderneming de waarschijnlijkheid, omvang en aard van de effecten van de geïdentificeerde risico’s en kansen beoordeelt (ESRS 2.53c) Ja 850% 11 50% 19 50% Ja, gedeeltelijk 00% 627% 616% Nee 850% 523% 13 34% Toelichting hoe de onderneming duurzaamheidsrisico’s prioriteert ten opzichte van andere risico’s en daarbij risk-assessment tools gebruikt (ESRS 2 53c) Ja 319% 418% 7 18% Ja, maar geen inzicht in riskassessment tools 16% 15% 25% Nee 12 75% 17 77% 29 76% Toelichting van inputparameters (ESRS 2.53g) Ja 531% 7 32% 12 32% Nee 11 69% 15 68% 26 68% Tabel 5. Presentatiewijze materiële thema’s. AEX AMX Totaal (n = 16) (n = 22) (n = 38) Tabel 9 56% 10 45% 19 50% Materialiteitsmatrix 2 13% 7 32% 924% Tabel en materialiteitsmatrix 4 25% 15% 513% Overig 1 6% 418% 513%
https://mab-online.nl Arjan Brouwer et al.: Informatieverschaffing over de dubbele materialiteitsanalyse276 0 tot 22 en voor Governance van 0 tot 8. Per categorie rapporteert een minderheid van de ondernemingen een entiteitspecifiek thema. Voor 55% van de materiële thema’s is geconcludeerd dat deze zowel vanuit het impactperspectief als vanuit het financiële perspectief materieel zijn. Van de materiële thema’s is 29% alleen geïdentificeerd op basis van impactmaterialiteit, maar wordt deze niet vanuit een financieel perspectief onderkend. Een minderheid van 16% van de materiële thema’s is alleen materieel vanuit een financieel perspectief (en niet vanuit het impactperspectief). In Tabel 7 wordt weergegeven waar de materiële thema’s betrekking op hebben. Voor de herkenbaarheid en aansluiting met de ESRSs hebben we hierbij de in de ESRSs gehanteerde Engelstalige terminologie aangehouden. Het grootste aantal materiële thema’s wordt geïdentificeerd op het gebied van sociale aspecten met in totaal 222 materiële thema’s (gemiddeld 5,8 per onderneming). Hiervan hebben 124 materiële thema’s betrekking op own workforce, met name working conditions, health & safety en diversity. Ook zijn 40 materiële thema’s geïdentificeerd op het gebied van workers in the value chain en 45 thema’s op het gebied van consumers and end-users. Op het gebied van environmental aspecten zijn 174 materiële thema’s (gemiddeld 4,6 per onderneming) geidentificeerd, waarbij de meeste thema’s zijn geïdentificeerd op het gebied van climate change, (78 thema’s), circularity (32 thema’s) en biodiversity (31 thema’s). Op het gebied van business conduct zijn 69 thema’s (gemiddeld 1,8 per onderneming) geïdentificeerd, waarbij dit in de meeste (43) gevallen als algemeen thema is benoemd. Tabel 6. Geïdentificeerde materiële thema’s. AEX AMX Totaal (n = 16) (n = 22) (n = 38) #Items impact materieel 57 28% 80 31% 137 29% #Items financieel materieel 32 16% 41 16% 73 16% #Items beide 114 56% 141 54% 255 55% Aantal materiële IRO´s - Environmental Minimum 1 1 1 Mediaan 3 5 4 Gemiddeld 4 5 5 Maximum 17 14 17 #Aantal ondernemingen met entiteitspecifieke topics 4 4 8 Aantal materiële IRO´s - Social Minimum 2 0 0 Mediaan 6 5 5 Gemiddeld 6 6 6 Maximum 14 22 22 #Aantal ondernemingen met entiteitspecifieke topics 4 5 9 Aantal materiële IRO’s - Governance Minimum 0 0 0 Mediaan 2 1 1 Gemiddeld 2 2 2 Maximum 8 5 8 #Aantal ondernemingen met entiteitspecifieke topics 5 3 8 Figuur 4. Best practice toelichting van een materialiteitsmatrix. Fagron Annual report 2024, pagina 108. Materiality matrix Biodiversity Climate change Chemical use & pollution Energy use Resource use Sustainable products Waste Water use Access to healthcare Compensation & benefits Diversity & inclusion Employee engagement Grievance mechanism Health & safety (employees) Health & saf ety (supply chain) Human rights & labor rights Product quality & safety Security of employment Training & development Working hours Compliance Corruption & bribery Ethical selling practices Lobbying & political engagement Payment practices Remuneration executives Tax transparency 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 Environment Social Governance LEGEND MATERIALITYLow Moderate High Potential or actual impact on Fagron Value Potential or actual impact on society and environment Low High Moderate Moderate High Low 1 12 23 6 2 16 8 11 27 25 26 18 4 10 19 3 17 9 22 5 20 24 13 15 7 14 21
Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 269–280 https://mab-online.nl 277 3.3. Connectiviteit met de jaarrekening ESRS 1.118 benadrukt het belang van connectiviteit en het zorgen voor inzicht in de verbanden tussen verschillende informatie-elementen binnen het duurzaamheidsverslag alsmede de verbanden tussen de informatie in het duurzaamheidsverslag en andere informatie die de onderneming rapporteert. In ESRS 1, sectie 9, wordt daarbij specifiek ingegaan op de aansluiting tussen het duurzaamheidsverslag en de jaarrekening. ESRS 1.124 verlangt dat als het duurzaamheidsverslag geldbedragen of andere kwantitatieve gegevenspunten bevat die een materialiteitsdrempel overschrijden en die ook in de financiële overzichten worden gepresenteerd, een verwijzing wordt opgenomen naar de relevante paragraaf van de financiële overzichten waar de overeenkomstige informatie te vinden is. ESRS 2.48 vraagt ook om informatie over de huidige en verwachte financiële effecten van materiële impacts, risico’s en kansen. Tabel 8 laat zien dat een beperkt aantal ondernemingen in het duurzaamheidsverslag informatie verschaft over de huidige financiële effecten van materiële risico’s en kansen op de financiële positie, prestaties en kasstromen (vier ondernemingen, 11%) en de materiële risico’s en kansen met een significant risico op aanpassing van de waardering activa of verplichtingen in het komend boekjaar (drie ondernemingen, 8%). Ook wordt zelden inzicht gegeven in verwachte finan ciële effecten, maar dit kan worden verklaard doordat de toelichting hiervan op grond van ESRS 2.48e valt onder de transitievrijstellingen. Daarnaast is het van belang dat ondernemingen inzicht verschaffen in de impact van duurzaamheidskwesties op de jaarrekening. Dit sluit aan bij de oproep van investeerders en andere belanghebbenden om in de jaarrekening meer inzicht te geven in de impact van duurzaamheidskwesties op de jaarrekening. Ook de IASB heeft meerdere publicaties uitgebracht die hierop ingaan (zie IASB 2019, 2023, 2024). Van de onderzochte ondernemingen gaat 45% in de jaarrekening in op de impact van milieugerelateerde duurzaamheidskwesties op de jaarrekening; hetzij in de paragraaf over key estimates (13%), hetzij op Tabel 7. Detailoverzicht materiële thema’s. AEX AMX Totaal (n = 16) (n = 22) (n = 38) Aantal Gemiddeld Aantal Gemiddeld Aantal Gemiddeld Environmental Climate change 29 1,8 49 2,2 78 2,1 - Climate change - algemeen 10 11 21 - Climate change mitigation 8 17 25 - Climate change adaptation 6 14 20 - Energy 5 7 12 Pollution 6 0,4 10 0,5 16 0,4 Water and marine resources 70,4 10 0,5 17 0,4 Biodiversity and ecosystems 13 0,8 18 0,8 31 0,8 Circular economy 13 0,8 19 0,9 32 0,8 Totaal environmental 68 4,3 106 4,8 174 4,6 Social Own workforce 52 3,3 72 3,3 124 3,3 - Working conditions 5 14 19 - Health and safety 7 12 19 - Diversity 12 6 18 - Equal treatment and opportunities for all 3 10 13 - Other work related rights 5 8 13 - Own workforce algemeen en overig 20 22 42 Workers in the value chain 21 1,3 19 0,9 40 1,1 Affected communities 6 0,4 70,3 13 0,3 Consumers and endusers 21 1,3 24 1,1 45 1,2 - Information-related impacts for consumers and/or end-users 3 7 10 - Personal safety of consumers and/or end-users 5 7 12 - Algemeen en overig 13 10 23 Totaal Social 100 6,3 122 5,5 222 5,8 Governance / business conduct Business Conduct - algemeen 25 1,6 18 0,8 43 1,1 Corporate culture 5 0,3 4 0,2 9 0,2 Corruption and bribery 3 0,2 4 0,2 70,2 Overig 2 0,1 8 0,4 10 0,3 Governance / Business conduct totaal 35 2,2 34 1,5 69 1,8