scieee AI-readable full text Open interactive document viewer

Duurzaamheidsrapportages van de Nederlandse Rijksoverheid – ontwikkelingen van 2023 tot 2024

Orij, René; Vogelsang, Robert; Erkens, Michael

Abstract

In dit artikel wordt de ontwikkeling van de duurzaamheidsverslaggeving door de Nederlandse Rijksoverheid in de periode 2023–2024 onderzocht. Op basis van tekstanalysesoftware en zoektermen uit de European Sustainability Reporting Standards (ESRS), aangevuld met de conceptstandaarden van de International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB), is een kwantitatieve vergelijking gemaakt met eerdere jaren. De resultaten laten zien dat in 2024 meer gerapporteerd wordt over de meeste duurzaamheidsthema's uit de ESRS. Tegelijkertijd is de versnippering van duurzaamheidsinformatie (rapportagevormen, reikwijdte en kaders) over diverse rapportages onverminderd groot gebleven. De diepgang en reikwijdte van de rapportages blijken in 2024 op dezelfde wijze verbonden te zijn aan de specifieke beleidsvelden van de ministeries als in 2023. Opvallende inhoudelijke verschuivingen ontbreken grotendeels. De veranderde politieke context lijkt nauwelijks invloed te hebben gehad op de rapportages.

Full text

Duurzaamheidsrapportages van de Nederlandse Rijksoverheid – ontwikkelingen van 2023 tot 2024 René Orij, Robert Vogelsang, Michael Erkens Received 31 August 2025 | Accepted 8 October 2025 | Published 4 December 2025 Samenvatting In dit artikel wordt de ontwikkeling van de duurzaamheidsverslaggeving door de Nederlandse Rijksoverheid in de periode 2023–2024 onderzocht. Op basis van tekstanalysesoftware en zoektermen uit de European Sustainability Reporting Standards (ESRS), aangevuld met de conceptstandaarden van de International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB), is een kwantitatieve vergelijking gemaakt met eerdere jaren. De resultaten laten zien dat in 2024 meer gerapporteerd wordt over de meeste duurzaamheidsthema’s uit de ESRS. Tegelijkertijd is de versnippering van duurzaamheidsinformatie (rapportagevormen, reikwijdte en kaders) over diverse rapportages onverminderd groot gebleven. De diepgang en reikwijdte van de rapportages blijken in 2024 op dezelfde wijze verbonden te zijn aan de specifieke beleidsvelden van de ministeries als in 2023. Opvallende inhoudelijke verschuivingen ontbreken grotendeels. De veranderde politieke context lijkt nauwelijks invloed te hebben gehad op de rapportages. Relevantie voor de praktijk Een unieke dataset van twee jaar is samengesteld om uitingen van het Rijk over duurzaamheid te exploreren. De resultaten zijn van belang voor zowel beleidsmakers als voor opstellers van rapportages binnen de publieke sector. Trefwoorden Duurzaamheidsverslaggeving, Rijksoverheid, ESG, ESRS 1. Inleiding Een uitspraak uit 2013 van de toenmalige Britse premier David Cameron zou luiden: “Get rid of all the green crap”. De uitspraak is nooit bevestigd door hem, maar ook niet ontkend (Mason 2013). De mogelijke uitspraak was toen ook al controversieel, maar in de huidige tijd zijn duurzaamheid en duurzaamheidsverslaggeving minder populair dan een paar jaar geleden. Met name in de VS staan klimaatmaatregelen en diversiteitsen inclusiemaatregelen door de politiek onder druk (Toe Laer 2025). De afgelopen jaren is er veel gebeurd op het terrein van regelgeving voor duurzaamheidsverslaggeving door ondernemingen. Met de invoering van de Corpo rate Sustainability Reporting Directive (CSRD) zijn grote beursgenoteerde Europese ondernemingen verplicht om vanaf het boekjaar 2024 verantwoording af te leggen over hun milieu-, sociale en governance-prestaties. Die verplichting is nog niet helemaal helder, omdat op het moment van schrijven van dit stuk verschillende Europese landen, waaronder Nederland, de CSRD formeel nog niet geïmplementeerd hebben, onder andere omdat min of meer gelijktijdig een pakket maatregelen werd voorgesteld om te snoeien in deze en andere duurzaamheidsrichtlijnen, de Omnibus (EC 2025). In dit artikel zullen we deze grote Europese beleidswijziging meenemen in onze analyse. Copyright René Orij et al. This is an open access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (CC-BY-NC-ND 4.0), which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided the original author and source are credited. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5) (2025): 323–334 DOI 10.5117/mab.99.170656 Research Article https://mab-online.nl René Orij et al.: Duurzaamheidsrapportages van de Nederlandse Rijksoverheid – ontwikkelingen van 2023 tot 2024 324 In de periode 2022–2025 is er veel gebeurd op het terrein van Europese regelgeving over duurzaamheidsverslaggeving door ondernemingen; van een grote uitbreiding van de Non-Financial Reporting Directive (NFRD) uitmondend in de CSRD, naar een plotselinge wijziging van de reikwijdte en een verlichting van de verslaggevingseisen volgens de Omnibus (Van Beest and Orij 2025). De politieke situatie in Europa is veranderd en de politieke druk om de lastendruk van duurzaamheidsverslaggeving voor ondernemingen te verlagen is groot. De Europese Commissie is tot nu toe zeer actief op het gebied van duurzaamheidsverslaggeving, maar heeft geen eisen voor overheden opgesteld. Er is geen gestandaardiseerde en vergelijkbare duurzaamheidsrapportage binnen de publieke sector. IPSASB (2023) heeft aangegeven dat zij in 2025 de eerste duurzaamheidsstandaarden voor publieke organisaties wil publiceren, maar deze bevinden zich momenteel nog in de fase van ‘Exposure Draft’. De zaken die spelen bij duurzaamheidsverslaggeving door overheden zijn veelzijdig, en minder eenduidig dan bij ondernemingen, hoewel die laatste groep ook diffuse prikkels en determinanten kent (Orij 2023). Publieke druk (Mol et al. 2024) en politieke druk (Bisogno et al. 2023) spelen een rol als determinant van duurzaamheidsverslaggeving, en centraal staat publieke verantwoording (Bovens (2005) en Vogelsang et al. (2025)). In dit onderzoek zal aan de hand van de rapportages van de Nederlandse rijksoverheid worden getoond welke ontwikkelingen er gaande zijn als het gaat om uitgebreidheid, versnippering (rapportagevormen, reikwijdte en kaders), doelgerichtheid, en wordt een eerste poging gedaan om een koppeling te leggen met de politieke ontwikkelingen in Nederland. De vragen die daarbij gesteld worden zijn de volgende: • Wordt er uitgebreider of juist minder uitgebreid gerapporteerd over duurzaamheid in rapportages door de Rijksoverheid ten opzichte van eerdere metingen (Vogelsang et al. 2025)? • Hoe staat het met de spreiding van rapportages over verschillende typen documenten waarin wordt gerapporteerd over duurzaamheid ten opzichte van een jaar eerder? • Hoe rapporteren de verschillende ministeries en is daar een ontwikkeling in te bespeuren qua veranderde focus, eventueel in het kader van een veranderde politieke realiteit? In het eerste deel van dit onderzoek is onderzocht over welke onderwerpen op het gebied van Environmental, Social en Governance (ESG) de Rijksoverheid nu al informatie verschaft, met een focus op de verschillen met het vorige jaar. Om vergelijkbaarheid met eerder onderzoek te vergroten, worden ook de ESG-onderwerpen uit de European Sustainability Reporting Standards (ESRS) (EC 2023) gehanteerd, omdat dat rapportagestelsel een actueel beeld geeft van de belangrijkste ESG-onderwerpen. We gebruiken dat voor ondernemingen opgestelde rapportagestelsel, omdat – zoals eerder genoemd – er nog geen stelsel bestaat voor overheden, zie ook Vogelsang et al. (2025). In dit onderzoek zijn documenten bestudeerd die betrekking hebben op de kalenderjaren 2023 en 2024 als de meeste recente publicatiejaren. Uiteraard zijn voor beide jaren dezelfde documentcriteria gehanteerd om vergelijkbaarheid zoveel mogelijk te garanderen. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen beleidsen bedrijfsvoeringinformatie, net als in eerder onderzoek (Vogelsang et al. 2025). 2. Rapportagestelsels en documenten De ontwikkeling van een stelsel dat voorschrijft hoe overheden over duurzaamheid kunnen rapporteren staat nog in de kinderschoenen. Het duurzaamheidsrapportagestelsel van de International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB) is in 2024 als ‘Exposure Draft’ uitgezet, maar gaat alleen over klimaatgerelateerde informatieverschaffing. De IPSASB beoogt het verbeteren van verslaggeving door nationale overheden. De Nederlandse overheid zegt over het door de IPSASB ontwikkelde financiële rapportagestelsel: “Om goede verslaggevingsstandaarden voor de publieke sector, maar vooral voor de Rijksoverheid te kunnen ontwikkelen, volgt het ministerie de internationale ontwikkelingen op het gebied van financiële verslaggeving” (Ministerie van Financiën 2024). Er zijn geen uitingen vanuit het ministerie gevonden specifiek ten aanzien van de ‘Exposure Draft’. Er zijn landen (bijvoorbeeld Schotland en Nieuw-Zeeland) die hun monitoring en rapportage, de ‘Beyond GDP’-thema’s en indicatoren verbinden aan de Sustainable Development Goals (SDG’s) (Jansen et al. 2024). Ook in Nederland heeft het Rijk de afgelopen jaren vooruitgang geboekt om Brede Welvaart en SDG’s te verbinden met de begrotingsen verantwoordingscyclus, zoals blijkt uit de toevoeging van de Brede Welvaart Factsheets aan de begrotingen verantwoordingscyclus van 2025. De Miljoenennota 2024 had bijvoorbeeld als ondertitel ‘Begroten voor brede welvaart’. In 2025 was er een andere focus, die wellicht de veranderde geopolitieke realiteit weerspiegelt. De ondertitel van de Miljoenennota 2025 luidde namelijk: ‘Begroten voor welvaart en stabiliteit.’ Naast de documenten voortkomend uit de begrotingsen verantwoordingscyclus zijn er diverse rapportages1 waarin het Rijk en ministeries over duurzaamheid rapporteren (zoals de uit de Klimaatwet voortkomende Klimaatrapportage, of de departementoverstijgende Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk), maar die informatie wordt nergens volledig geïntegreerd. Andere rapportages, die een meer ad-hockarakter hebben, laten we hier buiten beschouwing. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 323–334 https://mab-online.nl 325 Tabel 1 laat de verscheidenheid aan Rijksrapportages zien die duurzaamheidsinformatie bevatten, gekoppeld aan de gerelateerde regelgeving. De regelgeving is altijd algemeen, op de Klimaatwet na. Een duurzaamheidsrapportagestelsel dat zo breed is als de ESRS’en, bestaat niet voor overheden, en wordt ook niet verwacht van de Europese Commissie. Zoals over de rapportages in 2023 gesteld (Vogelsang et al. 2025), is een mogelijke versnippering te herkennen. Informatie is verspreid over verscheidene documenten en het beeld van de betrokken stakeholders is diffuus. Volgens de auteurs kan een dergelijke versnippering betekenen dat de informatie niet efficiënt tot stand komt, inconsistent is, en daardoor lastig vergelijkbaar is. Daarnaast menen de auteurs dat de documenten een beperkte directe relatie onderhouden met de financiële verslaggeving. Er lijkt weinig gehoor te zijn gegeven aan de oproep van de Algemene Rekenkamer voor integrated reporting (Accountant.nl 2021). Ons zijn geen ontwikkelingen op het terrein van integrated reporting bij de Rijksoverheid bekend. Vergelijkbaarheid van duurzaamheidsprestaties is zonder focus in de verslaggeving uitdagend. Dat is één van de redenen dat we voor dit onderzoek voor de ESRS’en hebben gekozen als maatstaf om te onderzoeken hoe de Rijksoverheid over de in deze ESRS’en opgenomen ESG-thema’s rapporteert. 3. Theorie en institutionele kaders Verantwoording tegenover de Staten-Generaal over beleid, bedrijfsvoering en geld door het Rijk vindt jaarlijks plaats op de derde woensdag van mei: ‘Verantwoordingsdag’. Dan komen de verantwoordingsdocumenten, zoals genoemd in Tabel 1, beschikbaar. Verantwoording afleggen is de spiegel van het aanvaarden van verantwoordelijkheden, en heeft betrekking op de realisatie van die verantwoordelijkheden ten opzichte van de planning of begroting. Die verantwoordelijkheid en verantwoording kunnen wettelijk zijn geregeld, of – indien vrijwillig – gebaseerd zijn op verwachtingen van stakeholders, de maatschappij in brede zin en uit intrinsieke motivatie. Samengevat gaat het bij het afleggen van verantwoording over formele, informele en deels normatieve prikkels om het verschaffen van bepaalde informatie (Dees 2009). Duurzaamheidsverslaggeving is een van de middelen om verantwoording af te leggen. In een niet veranderende wereld zijn er zijn twee veelgebruikte categorieën van theorieën; economische en sociaal-politieke. Een economische theorie is bijvoorbeeld de ‘agency theory’, maar die is hier minder relevant, en ook niet de theorie over het concept informatieasymmetrie (Mol et al. 2024). De sociaal-politieke theorieën zijn met name de legitimiteits-, accountabilityen stakeholdertheorie. De sociaal-politieke theorieën zijn eventueel bruikbaar in dit artikel, ware het niet dat we de keuze hebben gemaakt om de verandering tussen 2023 en 2024 te duiden. De focus ligt daarbij op een vermeend verminderd draagvlak voor duurzaamheid in het huidige politieke klimaat. Draagvlak is een element uit de legitimiteitstheorie (Vogelsang et al. 2025). Een element dat bruikbaar is vanuit de ‘accountability theory’ is het democratische perspectief. Daarbij geldt dat verantwoording afleggen over duurzaamheidskwesties nodig is (Van Boven 2007), om daarmee politieke zaken in te brengen. Aanvullend op ‘accountability’ bestaat er ook ‘felt accountability’. Dat ‘voelen’ of ervaren van de verantwoordelijkheid om verantwoording af te leggen wordt ook gevoed door een psychologisch contract op basis van een combinatie van formele en informele regels of verantwoordingsmechanismen. Informele mechanismen kunnen bestaan uit groepsnormen, culturele normen van een organisatie, en ook uit loyaliteit aan de leidinggevende en collega’s van een individu (Overman and Schillemans 2022). Het ligt voor de hand om de verschillen tussen 2023 en 2024 te duiden aan de hand van de veranderde kijk op duurzaamheid in de westerse wereld, zoals de hierboven genoemde gewijzigde visie op duurzaamheid in de VS, en een verandering in het landsbestuur, van kabinet-Rutte IV in 2023 naar het kabinet-Schoof, dat regeerde tijdens Verantwoordingsdag in 21 mei 2024, het moment waarop de rapportages beschikbaar kwamen. Tabel 1. Rapportages van het Rijk die duurzaamheidsinformatie bevatten. Type document Reikwijdte Kader Type document Financiële of nietfinanciële focus Jaarverslag Ministerie Rijksbegrotingsvoorschriften, Comptabiliteitswet Verantwoording Financieel Begroting Ministerie Rijksbegrotingsvoorschriften, Comptabiliteitswet Informerend Financieel Klimaatnota Rijksbreed Vormvrij (volgt uit Klimaatwet) Verantwoording Niet-financieel Duurzaamheidsverslag*Ministerie Vrije keuze (voornamelijk GRI) Verantwoording Niet-financieel Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk Rijksbreed Vormvrij Verantwoording Niet-financieel C02 managementplan Ministerie SKAO Handboek Verantwoording Niet-financieel Monitor Brede Welvaart Nationaal Conference of European Statisticians-systematiek Informerend Niet-financieel Fact-sheets Brede Welvaart Nationaal Vormvrij Informerend Niet-financieel SDG-rapportage Nationaal Vormvrij Informerend Niet-financieel Miljoenennota Rijksbreed Vormvrij (volgt uit Comptabiliteitswet) Informerend Financieel * Economische Zaken (EZ), Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Klimaat en Groene Groei brengen gezamenlijk een duurzaamheidsverslag uit. Aantallen in latere tabellen zijn toegerekend aan EZ om verdubbeling te voorkomen. https://mab-online.nl René Orij et al.: Duurzaamheidsrapportages van de Nederlandse Rijksoverheid – ontwikkelingen van 2023 tot 2024 326 Er bestaat weinig onderzoek op dat terrein. Bourdin and Jacquet (2025) doen onderzoek in een paar Europese landen en spreken over het hinderen van duurzame vooruitgang (in Frankrijk) door gebrek aan politieke steun. Ze melden niet de mogelijke politieke tegenwerking. Bisogno et al. (2023) stellen dat linkse kiezers (in Spanje en Italië) meer betrokken zijn bij duurzame ontwikkeling en het milieu. Mol et al. (2024) stellen dat een politieke oriëntatie bij lokale overheden (in Nederland) te koppelen is aan rapportage over specifieke thema’s en aan transparantie over duurzaamheid in de breedte. Ook Carter and Clements (2015) trekken de duurzaamheidsambities van de (Britse) overheid in de richting van de verschillen in het politieke spectrum. Mol et al. (2024, p. 447) stellen vast dat “het hebben van een linkse gemeenteraad tot een hogere transparantiescore leidt, terwijl bij het college van burgemees ter en wethouders juist een rechtse samenstelling dit effect heeft.” Op basis van scores per politieke partij in de Chapel Hill Expert Survey (Rovny et al. (2025) en Jolly et al. (2022)) kan worden gesteld dat de Nederlandse politiek in 2023 anders gekleurd was dan in 2024, dat het kabinet en de Tweede Kamer rechtser waren dan daarvoor. Indien de exploratieve uitkomst van Mol et al. (2024) ook opgaat voor het landsbestuur, dan zouden effecten voortkomend uit een rechtse Tweede Kamer (negatieve werking ten aanzien van transparantie) en een rechts kabinet (positieve werking ten aanzien van transparantie) elkaar tegenwerken en geen effect hebben. Samenvattend is het voor de hand liggend dat de politieke kleur van de bestuurlijke leiding invloed kan hebben op duurzame ambities van een overheid en op duurzaamheidsverslaggeving door die overheid. Onze onderzoeksobjecten zijn ministeries en die zijn in aantal beperkt, waardoor we slechts een klein aantal waarnemingen hebben. Daardoor is een beperkte statistische toetsing mogelijk. In het kader van dit onderzoek is onderzocht in hoeverre er verschillen tussen de jaren bestaan en of deze verschillen verband houden met de politieke oriëntatie van de verantwoordelijke minister van het ministerie. 4. Onderzoeksmethode Duurzaamheidsinformatie komt uit diverse bronnen, zie Tabel 1. Begrotingen zijn geen verantwoordingsinstrument, maar volgens Van Helden and Reichard (2019) zijn ze wel belangrijk voor gebruikers van overheidsinformatie, in het bijzonder politici. We kiezen hier voor een brede aanpak van de zoektocht naar duurzaamheidsinformatie, en daarom vallen zowel informerende begrotingen als verantwoordingsdocumenten onder het onderzoek. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van openbaar beschikbare specifieke documenten van de Nederlandse Rijksoverheid over 2024, zie Tabel 1. De documenten zijn handmatig verzameld van websites van de Rijksoverheid. Op basis van de voornoemde criteria zijn 92 relevante documenten onderzocht (84 door Vogelsang et al. (2025)). Het onderzoek is beperkt tot de ministeries. Er is geen onderscheid gemaakt tussen duurzaamheid vanuit beleidsen bedrijfsvoeringperspectief. Beide perspectieven worden van belang geacht. De documenten zijn onderzocht met gebruik van de tekstanalysesoftware van ATLAS.TI. De te zoeken begrippen zijn gebaseerd op sleutelbegrippen in de ESRS’en, zoals in Vogelsang et al. (2025), aangevuld met synoniemen.2 Deze werkwijze is in beginsel grofmazig en kijkt vooral naar de grote lijnen. Door het gebruik van ATLAS.TI kon deze grofmazige aanpak enigszins verfijnd worden. ATLAS.TI geeft per keer dat een begrip of woord gevonden wordt de context weer. Op basis van die werkwijze zijn zoektermen aangescherpt en vals-positieve resultaten zijn verwijderd. De zoektermen zijn gevalideerd, zoals in Vogelsang et al. (2025). In het onderzoek van Vogelsang et al. (2025) is geconstateerd dat het definiëren van S1–S4 in de commercieel gerichte ESRS niet eenduidig is door te vertalen naar de situatie van een overheid. Om deze belemmering op te heffen zijn definities geformuleerd die als basis kunnen dienen om onderscheid te maken tussen de S-standaarden voor overheden. De definities, zoals opgenomen in Tabel A1, voor S1 (Eigen Personeel) en S2 (Werknemers in de waardeketen) zijn gebaseerd op de ESRS. De definities van S3 (Gemeenschappen) en S4 (Consumenten en eindgebruikers) zijn afgeleid van de Exposure Draft Climate-related Disclosures van de IPSASB (2024); dit is een verfijning van meetmethodologie ten opzichte van eerder onderzoek (Vogelsang et al. 2025) IPSASB richt zich specifiek op overheden en maakt vanzelfsprekend onderscheid tussen bedrijfsvoering en beleidsvoering. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen directe effecten van de bedrijfsvoering op gemeenschappen (‘own operation’) en effecten van beleid op eindgebruikers (‘public policy programs’). Dit onderscheid wordt verder verduidelijkt aan de hand van het type interactie. Bij directe effecten van bedrijfsvoering ondervinden gemeenschappen de impact van overheidsactiviteiten of -processen vaak ongevraagd en soms onbedoeld (neveneffect). De impact van beleid manifesteert zich wanneer eindgebruikers, vrijwillig of verplicht, gebruikmaken van overheidsdiensten of andere vormen van output. In de Tabel A1 in de bijlage zijn de definities opgenomen, die zijn gebaseerd op de hiervoor genoemde overwegingen. Indien mogelijk maken we gebruik van statistische toetsen om de geconstateerde verschillen tussen 2023 en 2024 te onderbouwen. Vanwege de kleine dataset maken we alleen gebruik van zogenaamde ‘univariate’ toetsen, waardoor de samenhang met meerdere variabelen of mogelijke causaliteit niet ondersteund wordt. We gebruiken toetsen die gemiddelden tussen de jaren met elkaar vergelijken. Met die werkwijze toetsen we statistisch of de politieke oriëntatie van de belangrijkste minister van een ministerie samenhangt met verschillen tussen ministeries en tussen de jaren. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 323–334 https://mab-online.nl 327 5. Resultaten en duiding Dit onderzoek richt zich, zoals eerder aangegeven, vooral op de verschillen tussen 2023 en 2024, en dan met name op de relatieve verschillen, omdat absolute verschillen potentieel weinig zeggend zijn. In sommige gevallen zijn er meer gegevens beschikbaar, waardoor absolute getallen vervuild kunnen zijn. Op enkele plekken zullen we de absolute getallen wel duiden. 5.1. Resultaten Op basis van het eerste gedeelte van dit onderzoek worden achtereenvolgens tien tabellen besproken met de volgende inhoud: • een samenvattende tabel met het aantal documenten, de financiële omvang en de beleidsvelden van het ministerie (Tabel 2); • tabellen met de verdeling van en ESG-thema’s over alle Rijksrapportages met een focus op de verschillen tussen de jaren (Tabel 3, 4); • tabellen met de verdeling van ESRS-thema’s per ministerie (relatief en absoluut) met een focus op de verschillen tussen de jaren, rekening houdend met politieke verschillen (Tabel 5–7); • Tabellen die analyses tonen waarin is onderzocht of politieke verschuivingen invloed hebben gehad op de E-, Sof G-scores van de ministeries, op het niveau van het totaalgemiddelde (Tabel 8, 9). • ESRS-thema’s per documentsoort (Tabel 10). Naast de wettelijke bepaling dat ministeries verantwoording afleggen over het gevoerde beleid zijn er geen duidelijke normen, maar slechts verwachtingen of eigen ideeën over de ESG-onderwerpen waarover zij verder informatie verschaffen. In Tabel 2 zijn de ministeries weergegeven, met het aantal voor hen onderzochte documenten, hun financiële omvang en de beleidsvelden waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen. Op basis van de accountability-theorie werd verwacht dat ministeries – naast het zich conformeren aan de wettelijke verplichtingen – informatie naar buiten brengen over hun verantwoordelijkheden c.q. beleidsvelden. Vanuit de legitimiteitstheorie werd verwacht dat grotere ministeries uitgebreider verantwoording afleggen. Op basis van het aantal documenten waarin dergelijke informatie voorkomt, kan worden vermoed dat accountability-gerelateerde prikkels bijdragen aan verslaggeving over verantwoordelijkheden en beleidsvelden buiten de gangbare verslaggevingsnormen. Op basis van eigen interpretatie hebben wij een relatie opgesteld tussen beleidsvelden en ESG op geaggregeerd niveau, zie Tabel 3. De dimensies ‘Environment’ (E) en ‘Social’ (S) zijn geïnterpreteerd op een manier waarbij Nederland als onderdeel van de waardeketen van de Rijksoverheid centraal staat. De ‘Governance’-component relateren wij aan aspecten van het landsbestuur. Deze tabel is een verbeterde en aangevulde versie van een vergelijkbare tabel uit Vogelsang et al. (2025). In Tabel 3 zijn de absolute aantallen op basis van de ESRS-begrippen weergegeven op geaggregeerd niveau. In Tabel 4 zijn de aantallen genoemde begrippen op basis van de ESRS-standaarden weergegeven. Tabel 3 laat totalen en gemiddeldes zien op geaggregeerd ESG-niveau. In de tabel is te zien dat er meer ESG-begrippen vermeld zijn in 2024 ten opzichte van 2023. Deze absolute aantallen zijn niet veelzeggend, omdat er meer documenten zijn geanalyseerd dan in 2023 (92 ten opzichte van 84). Het enige vermeldenswaardige Tabel 2. Omvang ministeries en focusgebieden. Ministerie Uitgaven in 2024 (x miljard €)* Aantal documenten Beleidsveld* ESG-beleidsfocus (verwachting, zie Vogelsang et al. 2025) Algemene Zaken 0,6 5Coördinatie algemeen regeringsbeleid Governance Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 10,9 10 Binnenlandsbeleid (incl. Caribisch Nederland, democratie en openbaar bestuur). Governance Buitenlandse Zaken 11,3 9Buitenlandsbeleid & internationale ontwikkeling Milieu & Sociaal Defensie 12,5 7Bescherming grondgebied, bevorderen internationale rechtsorde en bijstaan bij rampen. Milieu & Sociaal Economische Zaken en Klimaat 10,0 8Stimuleren innovatie en ondernemingsklimaat, Klimaat Milieu & Sociaal Financiën 26,0 5Rijksfinanciën Governance Infrastructuur en Waterstaat 13,9 11 Bodem en ondergrond, landelijke gebieden, wegen en vaarwaternet Milieu Justitie en Veiligheid 24,5 3Rechtsorde, inclusief politie Governance Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 4,0 5Landbouw, natuur en voedselveiligheid Milieu Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 56,5 5Onderwijs, kunst en cultuur Sociaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid 63,4 5Werk en bestaanszekerheid Sociaal Volksgezondheid, Welzijn en Sport 38,2 5Gezondheid en Zorg Sociaal Rijksbrede documenten N.v.t. 9Brede Welvaart-indicatoren, SDG-rapportages Milieu & Sociaal Overig 5Hoge Colleges van Staat *Begrote uitgaven, gebaseerd op Miljoenennotaposter 2024 (Rijksoverheid 2023). https://mab-online.nl René Orij et al.: Duurzaamheidsrapportages van de Nederlandse Rijksoverheid – ontwikkelingen van 2023 tot 2024 328 is de verschuiving van ongeveer twee procentpunten ten koste van S en ten faveure van milieubegrippen, plus 6 procentpunten. Gemiddelden worden getoond vanwege de mogelijkheid om de verschillen tussen gemiddelden statistisch te toetsen. De verschillen in Tabel 3 zijn geen van alle statistisch significant en dat houdt in dat de verschillen statistisch gezien gebaseerd zijn op toeval. In de volgende analyse gaan we een stap verder met de verschillenanalyse per ESRS-thema. In Tabel 4 is te zien dat het gedetailleerdere beeld anders is dan het geaggregeerde beeld uit Tabel 3. Net als bij Tabel 3, kijken wij bij Tabel 4 vooral naar gemiddelden van de ministeries vanwege de mogelijkheden van statistische toetsen. Enkele verschillen tussen gemiddelden zijn statistisch significant. De grootste groei zit bij het aantal klimaatgerelateerde (E1) begrippen (statistisch niet significant) en bij zogenoemde eindgebruikers (S4) (statistisch significant) en de daling is het grootst bij ketenwerknemers (S2) (statistisch significant). Ook was er een relatief sterke groei bij eigen personeel (S1) en getroffen gemeenschappen (S3), hoewel die al bij S1 statistisch significant was en bij S3 niet). De verschillen tussen de jaren bij de begrippen die te koppelen zijn aan S2 en S4 zouden gebaseerd kunnen zijn op definitieverandering, zoals benoemd in hoofdstuk 4. Tabellen 5–7 laten een verdere detaillering zien; aantallen ESRS-begrippen per ministerie, inclusief de verschillen tussen 2023 en 2024. In Tabel 5 is de relatieve verdeling van de vastgestelde ESG-aantallen per ESRS-thema per ministerie weergegeven. Op basis van de Tabellen 2 en 5 kan worden gesteld dat ministeries soms nadruk zouden leggen op verantwoording over de bij hen behorende beleidsthema’s, maar dat blijkt niet altijd te worden gedaan.3 Alleen Buitenlandse Zaken (BZ), Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) rapporteren conform verwachting in 2023 en 2024. Algemene Zaken (AZ) rapporteert meer over vooral E1 en S2, maar wekt gezien het beleidsterrein een verwachting op dat ook over G te doen. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) rapporteert over S2 en ESRS 1 en 2, maar van dit ministerie wordt ook verwacht dat het over G rapporteert. Defensie rapporteert vrijwel alleen over S, maar zou ook over E kunnen rapporteren. Economische Zaken en Klimaat rapporteert met name over E1, maar zou ook over S kunnen rapporteren. Bij Financiën was het rapporteren over G de verwachting, daar ging het vooral over ESRS 1 en 2 en E1. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) rapporteert vooral over ESRS 1 en 2, G1 en E4, waarbij vooral E werd verwacht. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) rapporteert over S2 en G1, terwijl S werd verwacht. Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) rapporteert breder dan verwacht: over S2, E1 en ESRS 1 en 2 in plaats van vooral S. Een vergelijkingstabel met de verwachte en werkelijke focus per ministerie is in de bijlage opgenomen als Tabel A2. Tabel 3. Aantallen gevonden ESRS-gerelateerde begrippen en gemiddelden op geaggregeerd ESG-niveau.* 2024 2023 Verschil gemiddeld Verschil gemiddeld Totaal Gemiddeld over ministeries Totaal Gemiddeld over ministeries N N % N N % N %-punt ESRS 1/2 1912 147.1 13.2 1847 153.9 16.5 -6.8 -3.3 Environmental 6679 513.8 31.3 4346 362.2 25.4 151.6 5.9 Social 7262 558.6 47.6 5608 497.3 49.6 91.3 -1.9 Governance 1199 92.2 7.8 969 80.8 8.4 11.5 -0.6 Totaal 17052 1311.7 100% 12770 1094.2 100% x x Totaal en gemiddeld over alle ministeries. De verschillen zijn geen van alle statistisch significant op basis van de klassieke t-toets en de Wilcoxon rank-sum-toets. In deze tabel is geen van de verschillen significant. *Rapportages over E, S en G, en ook apart ESRS 1 en 2. Tabel 4. Aantallen en gemiddelden van aantallen van ESRS-gerelateerde begrippen in 2023 en 2024 en het verschil tussen die jaren. 2024 2024 2023 2023 Verschil gemiddelden Verschil gemiddelden Tot. Gemiddelde over ministeries Tot. Gemiddelde over ministeries N N % N N % N %-punt ESRS 1/2 1912 147,1 13,2 1847 153,9 16,5 -6,8 -3,3 E1 4670 359,2 22,7 2853 237,8 17,2 121,4 5,5 E2 147 11,3 0,6 105 8,8 0,5 2,5 0,1 E3 190 14,6 0,8 199 16,6 0,95 -2,0 -0,2 E4 279 21,5 1,9 205 17,1 2,1 4,4 -0,2 E5 1393 107,2 5,2 984 82,0 4,7 25,2 0,5 S1 996 76,6 7,8 399 33,3 4,9 43,3**|*** 2,9 |** S2 3159 243,0 19,8 3851 320,9 32,5 -77,9 -12,7**|** S3 1815 139,6 11,8 1075 89,6 9,7 50,0* 2,1 S4 1292 99,4 8,2 283 23,6 2, 75,8***|*** 5,7***|*** G1 1199 92,2 7,8 969 80,8 8,4 11,4 -0,6 Er zijn twee statistische toetsen uitgevoerd op de gemiddelde verschillen, de klassieke t-toets en de Wilcoxon rank-sum test. Significanties *, ** en *** staan voor resp. 5%, 1% en 0,1%. Eerstgenoemde significantie staat voor t-toets, de tweede voor Wilcoxon. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 323–334 https://mab-online.nl 329 In de Rijksbrede documenten wordt vooral de nadruk gelegd op klimaatverandering en maatschappelijke thema’s. De oorzaak hiervan kan gezocht worden in de oorsprong van de SDG-rapportages en de Brede Welvaart-indicatoren. Deze rapportages geven gestructureerd informatie over de nationale economische groei, sociale ontwikkeling en het milieu. In Tabel 6 is de ESRS-verdeling per ministerie in absolute aantallen weergegeven. De aanname is dat de omvang van de ministeries, naast de beleidsvelden, invloed heeft op de verantwoording. SZW en OCW hebben de hoogste uitgaven (zie Tabel 2), maar hebben niet de hoogste aantallen ESRS-begrippen. Tabel 7 laat met kleuren zien welke verschillen het grootst zijn in procentpunten, in een zogenoemde ‘heatmap’. We zien een aantal verschillen tussen 2023 en 2024, zoals de opvallende groei aan E1-rapportages door Algemene Zaken (het ministerie van de minister-president). Verder zijn er grote verschillen te zien bij S2 (afname) en S4 (toename). We hebben relatief weinig waarnemingen, waardoor hier geen statistische toetsen op de verschillen kunnen worden toegepast (ministerie en Rijksbreed per Tabel 5. ESRS-verdeling per ministerie in percentages (relatief) in 2024. ESRS AZ BZK BZ DEF EZK FIN IenW JenV LNV OCW SZW VWS Rijksbreed Overig Totaal ESRS 1 en 2 18 10 17 610 29 11 15 16 13 15 6 5 13 11 E1 Klimaatverandering 41 14 24 755 25 28 214 617 14 47 127 E2 Verontreiniging 0 0 0 1 0 0 3 0 1 0 0 0 1 0 1 E3 Water en Mariene hulpbronnen 0 0 0 0 0 0 5 0 4 0 0 0 1 0 1 E4 Biodiversiteit en Ecosystemen 0 1 1 1 2 0 2 0 16 0 0 0 1 0 2 E5 Circulaire Economie 1 7 2 1 11 420 1 3 1 3 2 13 1 8 S1 Eigen Personeel 98933 364 92 4 92 4 17 6 S2 Werknemers in de waardeketen 13 28 23 30 7917 28 929 23 31 10 12 18 S3 Getroffen gemeenschappen 11 14 10 12 511 523 10 12 14 15 10 25 11 S4 Consumenten en eindgebruikers 610 7 4 4 12 3 8 6 10 10 23 520 8 G1 Zakelijk gedrag 0 8 5 4 2 4 2 13 18 25 8 7 4 11 7 Totaal* 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 * Door tussentijdse afrondingen tellen niet alle kolommen op tot 100. Tabel 6. ESRS-rapportages per ministerie over 2024 (in absolute aantallen genoemde begrippen). ESRS AZ BZK BZ DEF EZK FIN IenW JenV LNV OCW SZW VWS Rijksbreed Overig Totaal ESRS ½ 45 152 170 35 215 216 274 155 111 169 120 78 172 14 1926 E1 Klimaatverandering 100 224 240 42 1174 188 692 24 92 74 140 181 1499 14671 E2 Verontreiniging 0 1 3 8 6 1 81 09204 32 0147 E3 Water en Mariene hulpbronnen 0 1 2 0 2 0 122 030 000 33 0190 E4 Biodiversiteit en Ecosystemen 012 17 433 060 2109 522 33 0279 E5 Circulaire Economie 322 118 5230 29 476 617 11 23 25 428 11394 S1 Eigen Personeel 22 84 135 188 64 47 86 93 12 48 73 32 112 19 1015 S2 Werknemers in de waardeketen 31 209 468 168 158 71 412 284 63 389 187 415 304 13 3172 S3 Getroffen gemeenschappen 27 95 239 69 101 82 119 232 70 163 116 196 306 28 1843 S4 Consumenten en eindgebruikers 15 68 165 21 85 88 68 77 43 127 84 301 150 22 1314 G1 Zakelijk gedrag 148 143 23 49 33 47 129 121 332 65 91 117 12 1211 Totaal 244 916 1700 563 2117 755 2437 1002 677 1320 810 1325 3186 110 17162 Tabel 7. ESRS-rapportages per ministerie; de verschillen tussen 2024 en 2023 in procentpunten van de aandacht per thema. ESRS / Ministerie AZ BZ BZK DEF EZK FIN IenW JenV LNV OCW SZW VWS Rijksbreed ESRS 1&2 -16 -2 -2 -4 -1 1-3 1-4 3-1 -9 -3 E1 Klimaatverandering 36 12 12 -2 -4 -14 3 1 -3 4-1 12 9 E2 Verontreiniging 0-1 -1 1 0 0 0 0 0 0 0 0 -1 E3 Water en Mariene hulpbronnen 000000-2 0 0 0 0 0 -1 E4 Biodiversiteit en Ecosystemen -1 000101 0 -3 000 -1 E5 Circulaire economie 0-1 -1 120-5 0-1 1 1 0 5 S1 Eigen personeel 3 2 2 0 2 5 3 4 1 4 7 2 1 S2 Werknemers in de waardeketen -20 -13 -13 0-2 -6 -1 -16 -1 -26 -18 -22 -7 S3 Getroffen gemeenschappen -2 110-1 4 1 8 3 2 2 1 -8 S4 Consumenten en eindgebruikers 0553292 4 6 9 9 22 4 G1 Zakelijk gedrag 0-4 -4 -1 1 0 1 -3 0 3 0 -7 2 https://mab-online.nl René Orij et al.: Duurzaamheidsrapportages van de Nederlandse Rijksoverheid – ontwikkelingen van 2023 tot 2024 330 jaar, 13 keer 2 = 26 waarnemingen). De eerdere toetsen gebruikten verschillen tussen gemiddelden, in dit geval van alle ministeries. Die toetsen kunnen hier niet worden gebruikt om verschillen tussen de jaren te duiden. Hierna volgen de resultaten van de statistische toetsen met gemiddelden per politieke oriëntatie van de partij van de belangrijkste minister, volgens de Chapel Hill Expert Survey (CHES) (Rovny et al. (2024), Jolly (2022) en CHES, n.d.). Bij de laatste CHES-scores van de partijen die in 2023 en 2024 meeregeerden worden VVD, PVV, NSC, CDA en BBB als rechts gezien en D66 en CU als links van het midden (meeregerend in 2023). In 2024 bestond het hele kabinet uit rechtse partijen, volgens de CHES-scores (Rovny et al. (2024) en CHES, n.d.). In Tabel 8 wordt gekeken of de politieke oriëntatie van de belangrijkste minister van het ministerie samenhang vertoont met de gemiddelden van percentages en aantallen per ESGen ESRS-thema. Percentueel en absoluut zijn die verschillen niet groot. Alleen bij S2 en S4 zijn de verschillen statistisch significant en berusten die niet op toeval. S4 laat een verschil zien voor een rechtse oriëntatie en S1 een negatieve. Op basis van verwachtingen zouden die negatief zijn, van rechts ten opzichte van links. Op basis van het voorgaande kan geen uitsluitsel worden gegeven dat een politieke voorkeur van de minister verband houdt met aantallen (absoluut en percentueel) duurzaamheidsthema’s in rapportages van het Rijk. Tabel 9 brengt in beeld of een wisseling van links naar rechts verschillen laat zien. Een dergelijke analyse geeft een sterkere statistische onderbouwing van een mogelijk verband, hoewel het aantal waarnemingen relatief laag is. De analyse in Tabel 9 laat zien dat bij E1, S1 en S3 statistisch significante verschillen zijn gevonden tussen gemiddelden van ministeries met een links-rechtsverschuiving. Bij E1 is dat verschil dusdanig dat deze links-rechtsverschuiving positief heeft uitgepakt. De verschillen S1 en S3 zijn negatief. Dus S1 en S3 worden minder vaak benoemd na een wijziging van de oriëntatie van links naar rechts. Tabel 8. Analyse van de verschillen tussen gemiddelden per politieke oriëntatie van het ministerie. Rechts totaal Gemiddelde over rechtse ministeries Links totaal Gemiddelde over linkse ministeries Verschil tussen gemiddelden Verschil tussen gemiddelden N N % N N % N %-punt Environ-mental 8249 434 0.29 751 150 0.20 283 0.085 Social 9979 525 0.49 2019 404 0.51 121 -0.021 Governance 1530 81 0.07 521 104 0.12 23 -0.051 ESRS 1/2 2946 155 0.15 641 128 0.16 27 -0.014 E1 5521 291 0.20 503 101 0.13 190 0.070 E2 207 11 0.01 13 30.00 80.003 E3 326 17 0.09 30 60.01 11 0.000 E4 317 17 0.02 134 27 0.04 10 -0.023 E5 1878 99 0.05 71 14 0.02 85 0.034 S1 1090 57 0.06 193 39 0.07 19|** -0.0063|* S2 5315 280 0.25 1391 278 0.33 2-0.081 S3 2188 115 0.11 396 79 0.10 36 0.010 S4 1386 73 0.07 39 80.01 65*|*** 0.057**|*** G1 1530 81 0.07 521 104 0.12 24 -0.051 Er zijn twee statistische toetsen uitgevoerd op de gemiddelde verschillen, de klassieke t-toets en de Wilcoxon rank-sum test. Significanties *, ** en *** staan voor resp. 5%, 1% en 0,1%. De eerstgenoemde significantie staat voor t-toets, de tweede voor Wilcoxon. Tabel 9. Analyse van de verschillen tussen gemiddelden over ministeries waar een wijziging van links naar rechts heeft plaatsgevonden. Verschuiving van links naar rechts Geen verschuiving van links naar rechts Verschil gemiddeld Verschil gemiddeld Totaal Gemiddeld over ministeries Totaal Gemiddeld over ministeries N N % N N % N %-punt Environmental 3817 477 0.34 837 209 0.19 267 0.151 Social 3781 473 0.45 2609 652 0.59 -180 -0.138 Governance 697 87 0.08 385 96 0.09 -9 -0.008 ESRS 1/2 1143 143 0.14 597 149 0.14 -6 -0.005 E1 2543 318 0.24 628 157 0.15 161 0.092 E2 111 14 0.01 4 1 0.00 13|* 0.0079|* E3 154 19 0.01 3 1 0.00 19 0.011 E4 213 27 0.03 33 80.01 18 0.020 E5 796 100 0.05 169 42 0.03 57 0.020 S1 499 62 0.08 385 96 0.09 -34|* -0.0097|* S2 1707 213 0.18 1148 287 0.25 -74 -0.071 S3 827 103 0.10 682 170 0.15 -67* -0.0531* S4 748 94 0.08 394 98 0.09 -5 -0.004 G1 697 87 0.08 385 96 0.09 -9 -0.008 Er zijn twee statistische toetsen uitgevoerd op de gemiddelde verschillen, de klassieke t-toets en de Wilcoxon rank-sum test. Significanties *, ** en *** staan voor resp. 5%, 1% en 0,1%. Eerstgenoemde significantie staat voor t-toets, de tweede voor Wilcoxon. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(5): 323–334 https://mab-online.nl 331 Samenvattend laten de uitkomsten van de analyses van de politieke oriëntatie een weinigzeggend beeld zien, anders dan verwacht, gebaseerd op eerder onderzoek en geopolitieke ontwikkelingen. Een mogelijke verklaring hiervoor is timing. De start van de begrotingsen verantwoordingscyclus, de Miljoenennota, was feitelijk door het vorige kabinet gestart. De verantwoordingsdocumenten spiegelen de begroting. Derhalve is het aannemelijk dat effecten van een politieke verschuiving pas vertraagd tot uiting komen. Als laatste laten we een analyse per documentsoort zien, om aan te tonen dat de versnippering (in tegenstelling tot de focus van documenten en de bij die focus behorende stakeholders, zoals wat bij Integrated Reporting mogelijk zou zijn) van duurzaamheidsverslaggeving bij het Rijk nog steeds bestaat. In Tabel 10 is in relatieve zin weergegeven in welke documenten de ESRS-thema’s voorkomen. Informatie staat voornamelijk in de begrotingen. Het feit dat er zoveel wijzigingen zijn ten opzichte van 2023 laat zien dat versnippering een reëel probleem is, dat wellicht gebaseerd is op een onduidelijk rapportagestelsel, of eigenlijk het ontbreken ervan. 6. Beperkingen De beperkingen (grofmazig onderzoek, alleen openbare documentatie, geen onderscheid tussen beleidsen bedrijfsvoeringinformatie) die bij eerder onderzoek bestonden (Vogelsang et al. 2025) zijn niet opgeheven, maar door meerdere waarnemingen is de uitbreiding van de dataset wel een verrijking. Daarentegen is de dataset nog wel te klein voor stevige statistische analyses en conclusies. Ook is er niet naar andere verschillen gekeken dan tussen de jaren 2023 en 2024, gebaseerd op het effect van de grotere politieke veranderingen in de wereld, terwijl er nog allerlei andere concepten als oorzakelijke verbanden kunnen worden aangemerkt. Bij een dergelijk klein onderzoek met weinig waarnemingen is er geen mogelijkheid om zogenoemde controlevariabelen mee te nemen. Een deel van die controlevariabelen bestaat uit interne gegevens, zoals informele normen binnen organisaties. Bij onderzoek op het terrein van externe verslaggeving is dat een ingecalculeerde beperking. 7. Conclusie en slotbeschouwingen In dit onderzoek zijn de verschillen tussen rapportages met duurzaamheidsinformatie van de Nederlandse Rijksoverheid onderzocht, waarbij tevens de koppeling is gelegd met de ontwikkelingen in de wereld (met name Europa) en in Nederland in het bijzonder. De centrale onderzoeksvragen die daarbij gesteld werden hebben betrekking op (1) de uitgebreidheid van duurzaamheidsrapportages door het Rijk, (2) de spreiding over typen rapporten en de mogelijke versnippering, en (3) de vraag of recente politieke veranderingen zichtbaar doorwerken in de rapportages. De Nederlandse Rijksoverheid rapporteert in de kern op consistente wijze over duurzaamheid in zowel bedrijfsvoering als beleid. De rapportages over 2024 wijken slechts in beperkte mate af van die van het voorgaande jaar. Wel worden er meer begrippen gehanteerd dan in 2023, met een enigszins gewijzigde verdeling over de ministeries. Opvallend zijn de relatief grote verschillen in de verdeling over de typen rapportages. Van de wens van de Algemene Rekenkamer uit 2021, namelijk een toename van integrated reporting, lijkt vooralsnog geen sprake. De versnippering is onverminderd groot en is in vergelijking met 2023 niet afgenomen. Inhoudelijk zijn er vooral verschuivingen in het sociale domein te vinden, en bij bepaalde ministeries hebben die zich sterker gemanifesteerd dan bij andere ministeries. Dit kan te maken hebben met definitieverschillen ten opzichte van het voorgaande onderzoek. Een deel van de ministeries is doelgericht; zij rapporteren over de ESG-onderwerpen die direct verband houden met hun eigen beleidsterrein. Daarin hebben zich geen grote verschuivingen voorgedaan. Tabel 10. ESRS en documentsoorten in 2024 en de verschillen tussen 2023 en 2024. ESRS/Documentsoort Aantallen in procenten* ESRS 1/2 E1 E2 E3 E4 E5 S1 S2 S3 S4 G1 Begrotingen 44 23 38 42 45 26 41 49 44 44 45 Jaarverslagen 36 13 28 34 23 22 37 36 32 38 40 Duurzaamheidsverslagen 11 31 12 420 18 11 2424 Rijksbreed 933 22 20 13 34 12 12 20 15 11 Totaal** 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 ESRS/Documentsoort Verschillen in procentpunten ESRS 1/2 E1 E2 E3 E4 E5 S1 S2 S3 S4 G1 Begrotingen 0-5 3-1 3-7 628-1 -4 Jaarverslagen -1 -9 -5 5-9 -7 -7 -2 7 4 -3 Duurzaamheidsverslagen 2 7 10 314 310-1 -6 2 Rijksbreed -1 7-8 -7 -7 12 -1 -1 -14 2 5 *Het percentage is als volgt berekend: totaal aantal hits per type document/Totaal aantal hits per ESRS-thema. ** Door tussentijdse afrondingen tellen niet alle kolommen op tot 100.